AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Uitleg begrip hulpeloze toestand bij verlaten plaats verkeersongeval
In deze zaak stond de uitleg van het begrip 'hulpeloze toestand' in artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wegenverkeerswet 1994 centraal. De verdachte was betrokken bij een verkeersongeval waarbij een bromfietser ernstig letsel opliep. Hij verliet de plaats van het ongeval terwijl het slachtoffer nog op straat lag met ernstige verwondingen.
De verdediging voerde aan dat er geen sprake was van een hulpeloze toestand omdat de verdachte had gezien dat omstanders het slachtoffer te hulp kwamen. Het hof verwierp dit verweer en oordeelde dat het niet voldoende is dat er omstanders zijn; het moet blijken dat het slachtoffer daadwerkelijk hulp krijgt. De Hoge Raad bevestigde dit oordeel en benadrukte dat de betrokkene zich moet bekommeren om het slachtoffer en niet mag vertrouwen op de komst van een barmhartige Samaritaan.
De Hoge Raad oordeelde dat het hof niet onbegrijpelijk heeft geoordeeld dat het slachtoffer in hulpeloze toestand was en dat de verdachte bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat hij het slachtoffer in die toestand achterliet. Het beroep in cassatie werd verworpen, waarmee het arrest van het hof in stand bleef.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt dat het verlaten van de plaats van een verkeersongeval terwijl het slachtoffer in hulpeloze toestand wordt achtergelaten strafbaar is, ook als omstanders aanwezig zijn.
Conclusie
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer18/03983
Zitting21 januari 2020
CONCLUSIE
F.W. Bleichrodt
In de zaak
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1996,
hierna: de verdachte.
Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, heeft de verdachte bij arrest van 5 september 2018 wegens 1 “overtreding van artikel 7, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994” en 2 “overtreding van artikel 5 vanPro de Wegenverkeerswet 1994” veroordeeld tot (ten aanzien van het onder 1 bewezen verklaarde) een taakstraf voor de duur van negentig uren, subsidiair 45 dagen hechtenis, en een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van zes maanden en (ten aanzien van het onder 2 bewezen verklaarde) een taakstraf voor de duur van vijftig uren, subsidiair 25 dagen hechtenis en een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van zes maanden; met aftrek van de tijd gedurende welke het rijbewijs van de verdachte ingevolge art. 164 WVWPro reeds ingevorderd of ingehouden is geweest.
Namens de verdachte is beroep in cassatie ingesteld. Mr. R.P. van der Graaf en mr. L de Lange, beiden advocaat te Utrecht, hebben één middel van cassatie voorgesteld.
Het middelbehelst de klacht dat het hof een onjuiste uitleg heeft gegeven aan het begrip hulpeloze toestand als bedoeld in art. 7, eerste lid, aanhef en onder b, Wegenverkeerswet 1994, althans dat de gegeven uitleg niet zonder meer begrijpelijk is.
Ten laste van de verdachte heeft het hof onder 1 bewezen verklaard dat:
“hij, door wiens gedraging een verkeersongeval is veroorzaakt, welke gedraging hij als bestuurder van een motorrijtuig personenauto, merk VW, type Golf cabrio had verricht en welk verkeersongeval heeft plaats gevonden in de gemeente Nijmegen op/aan de Couwenbergstraat, op 31 december 2015 omstreeks 14.26 uur, de voornoemde plaats van vorenbedoeld ongeval heeft verlaten, terwijl bij dat ongeval, naar hij wist, aan [slachtoffer] schade en letsel was toegebracht en daardoor, naar hij wist [slachtoffer] aan wie bij dat ongeval letsel is toegebracht, in hulpeloze toestand werd achtergelaten;”
Uit het proces-verbaal van het onderzoek ter terechtzitting van 22 augustus 2018 blijkt dat de raadsman van de verdachte het volgende heeft aangevoerd:
“Er is een aanrijding ontstaan in het verkeer waarbij verdachte betrokken is geweest. Het ongeluk heeft plaatsgevonden in een drukke straat in Nijmegen. De verdachte is daar zodanig van geschrokken dat hij in paniek is weggereden. Hij heeft na de hectiek besloten om terug te keren. Hij heeft zich binnen een uur na het incident vrijwillig bij de politie gemeld. Op het moment dat hij de plaats van het verkeersongeval heeft verlaten, heeft verdachte gezien dat mensen zich om het slachtoffer hebben bekommerd. Omdat de verdachte zich binnen twaalf uur na het ongeval vrijwillig heeft gemeld bij de politie, heeft de situatie van artikel 184 vanPro de Wegenverkeerswet 1994 zich voorgedaan. Dit houdt in dat er sprake is van een strafuitsluitingsgrond. De verdediging wijst in dit verband ook op een uitspraak van dit hof van 10 mei 2017, die vergelijkbaar is met de onderhavige zaak (vgl. ECLI:NL:GHARL:2017:3838). Het openbaar ministerie dient om die reden primair niet-ontvankelijk te worden verklaard in de strafvervolging ten aanzien van feit 1.
Het subsidiair verzoek luidt dat verdachte van feit 1 moet worden vrijgesproken.
(…)
De verdachte ontkent niet dat hij een aanrijding heeft gehad met aangever maar hij is in eerste instantie niet op de hoogte geweest van het letsel dat daarbij is opgelopen. Als hij hiermee bekend zou zijn geweest, zou hij hulp hebben verleend.”
6. Het hof heeft dit verweer verworpen en heeft in dit verband het volgende overwogen:
“De raadsman heeft betoogd dat verdachte van het onder 1 ten laste gelegde dient te worden vrijgesproken nu hij de bestuurder van de bromfiets niet in hulpeloze toestand heeft achtergelaten. Het verkeersongeluk heeft in een drukke straat plaatsgevonden. Verdachte heeft gezien dat er mensen naar de bestuurder van de bromfiets toe gingen om te helpen en hij is pas daarna weggereden. De raadsman heeft zich ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde gerefereerd aan het oordeel van het hof.
(…)
Artikel 7, eerste lid, aanhef en onderdeel b, van de Wegenverkeerswet 1994 strekt ertoe dat degene die bij een verkeersongeval is betrokken een daarbij gewond geraakte persoon waar mogelijk zelf onmiddellijk hulp biedt. Ook als het verkeersongeluk op een drukke straat plaatsvindt kan de betrokkene er niet gemakshalve op vertrouwen dat anderen voor de gewonde persoon zullen zorgen, zonder dat hem is gebleken dat op dat moment daadwerkelijk hulp aan de gewonde persoon wordt geboden. Door zichzelf niet om de bestuurder van de bromfiets te bekommeren, heeft verdachte de bestuurder van de bromfiets in hulpeloze toestand achtergelaten. Het hof verwerpt het verweer van de raadsman strekkende tot vrijspraak van het onder 1 ten laste gelegde.”
7. Uit de bewijsmiddelen volgt dat het hof het volgende heeft vastgesteld:
(i) De verdachte bestuurde een personenauto, reed weg vanuit parkeerstand en zag de hem tegemoetkomende bromfietser, die hem frontaal naderde, niet aankomen, waardoor een botsing ontstond (bewijsmiddel 1);
(ii) De brommer reed frontaal op de auto af en de bromfietser kwam op de straat terecht (bewijsmiddel 2);
(iii) De aangever heeft verklaard dat hij betrokken is geweest bij een aanrijding tussen een personenauto en hemzelf, waarbij hij op een bromscooter reed. Hij kwam ten val en heeft volgens artsen zijn heup gebroken. Aan zijn rechterbeen heeft hij een “dubbel gecompliceerde beenbreuk”. Hij heeft erg veel pijn en wordt weer geopereerd (bewijsmiddel 3);
(iv) Uit de tot het bewijs gebezigde geneeskundige verklaring blijkt dat de aangever een fractuur en forse wond aan zijn rechter onderbeen heeft opgelopen alsmede een fractuur aan zijn knie. Voorts wordt gesproken over een “bekken met heup uit de kom”. De geschatte duur van de genezing bedraagt drie tot zes maanden (bewijsmiddel 4);
(v) De verdachte heeft verklaard dat hij wilde wegrijden en toen een harde knal hoorde. Hij zag dat er een bromfietser tegen de rechter voorkant van de auto aanreed en “van zijn bromfiets vloog”. Hij voorts verklaard dat hij van schrik snel naar het huis van zijn moeder is gereden, dat zijn moeder hem heeft verteld dat hij terug moest gaan en dat de ambulance net wegreed toen hij terugkwam (bewijsmiddel 5).
8. Art. 7, eerste lid, WVW 1994 luidt als volgt:
“Het is degene die bij een verkeersongeval is betrokken of door wiens gedraging een verkeersongeval is veroorzaakt, verboden de plaats van het ongeval te verlaten indien:
a. bij dat ongeval, naar hij weet of redelijkerwijs moet vermoeden, een ander is gedood dan wel letsel of schade aan een ander is toegebracht;
b. daardoor, naar hij weet of redelijkerwijs moet vermoeden, een ander aan wie bij dat ongeval letsel is toegebracht, in hulpeloze toestand wordt achtergelaten.”
9. Het onder 1 ten laste gelegde feit is toegesneden op art. 7, eerste lid, WVW 1994. De in de tenlastelegging en bewezenverklaring voorkomende term "hulpeloze toestand" moet daarom worden geacht aldaar te zijn gebezigd in dezelfde betekenis als daaraan toekomt in die bepaling onder b.
10. De stellers van het middel betogen dat van een ‘hulpeloze toestand’ als bedoeld in art. 7, eerste lid, aanhef en onder b, WVW 1994 geen sprake kan zijn als de verdachte zich ervan heeft vergewist dat er omstanders waren die het slachtoffer te hulp konden schieten, voordat hij de plaats van het ongeval verliet. Het hof zou – door anders te oordelen – zijn uitgegaan van een onjuiste rechtsopvatting. De stellers van het middel wijzen in dat verband onder meer op mijn eerder ingenomen standpunt dat de term ‘hulpeloze toestand’ duidt op het ontbreken van hulp. Ik betoogde in dat verband dat indien aan het slachtoffer reeds adequate hulp wordt geboden, bijvoorbeeld doordat een arts of verpleger zich over het slachtoffer ontfermt, er geen sprake is van een hulpeloze toestand. [1]
11. In dezelfde conclusie merkte ik echter ook op dat het mij te ver gaat aan te nemen dat het bewijs dat de verdachte het slachtoffer in een hulpeloze toestand heeft achtergelaten niet is te leveren indien het verkeersongeval in een stad of in een dorpskern heeft plaatsgevonden, omdat er dan bijna altijd getuigen van het ongeval zijn, die zich kunnen ontfermen over het slachtoffer. Ik merkte op dat voor straffeloosheid onvoldoende is dat de bij een verkeersongeval betrokkene er gemakshalve op vertrouwt dat omstanders voor het slachtoffer zullen zorgen, zonder dat hem is gebleken dat die hulp op dat moment daadwerkelijk wordt geboden. Een andere visie staat haaks op de ratio van de strafbaarstelling, waarbij van de bij het ongeval betrokkene wordt gevergd dat hij zich bekommert om het hulpbehoevende slachtoffer. [2] Van de bij het ongeval betrokkene wordt meer verwacht dan te vertrouwen op de komst van een barmhartige Samaritaan. De Hoge Raad overwoog in zijn arrest in de desbetreffende zaak dat de opvatting dat slechts sprake kan zijn van het in hulpeloze toestand achterlaten als bedoeld in art. 7, eerste lid onder b, WVW 1994 indien 'de ander' niet op eigen kracht hulp kan inroepen onjuist is.
12. In de onderhavige zaak is in hoger beroep aangevoerd dat de verdachte, op het moment dat hij de plaats van het ongeval verliet, heeft gezien dat mensen zich om het slachtoffer hebben bekommerd. Mede gelet op die omstandigheid, is (subsidiair) verzocht de verdachte vrij te spreken van het onder 1 ten laste gelegde. Het hof heeft in reactie op dit verweer overwogen dat ook als het verkeersongeluk op een drukke straat plaatsvindt de verdachte er niet gemakshalve op kan vertrouwen dat anderen voor de gewonde persoon zullen zorgen, zonder dat hem is gebleken dat op dat moment daadwerkelijk hulp aan de gewonde persoon wordt geboden.
13. Dat oordeel getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting en is in het licht van de hiervoor onder 7 weergegeven feiten en omstandigheden niet onbegrijpelijk. Daarbij neem ik in aanmerking dat uit de bewijsvoering kan worden afgeleid dat de aangever na het ongeval met een gecompliceerde dubbele beenbreuk, zijn heup uit de kom en erg veel pijn op de straat bleef liggen. Het hof heeft uit de gebezigde bewijsmiddelen, in het bijzonder het daaruit volgende letsel, kennelijk en niet onbegrijpelijk afgeleid dat de aangever in hulpeloze toestand verkeerde. Daarbij neem ik in aanmerking dat uit de bewijsvoering blijkt dat de ambulance net wegreed toen de verdachte terugkwam op de plaats van het ongeval. Verder wijs ik erop dat het hof kennelijk en niet onbegrijpelijk geen enkel aanknopingspunt heeft gevonden om aan te nemen dat de verdachte zich om het lot van het slachtoffer heeft bekommerd.
14. Ik wijs er in dat verband op dat de uitleg van verweren is voorbehouden aan de feitenrechter. Die uitleg kan in cassatie slechts op zijn begrijpelijkheid worden getoetst. [3] Kennelijk heeft het hof het verweer aldus uitgelegd, dat dit inhoudt dat de verdachte heeft gezien dat er mensen op het gevallen slachtoffer afkwamen. Dat is iets anders dan dat de verdachte zou hebben gezien dat adequate hulp werd geboden door (bijvoorbeeld) een arts of verpleegkundige. [4] Deze uitleg acht ik niet onbegrijpelijk. Daarbij neem ik aanmerking dat niet is aangevoerd dat de verdachte pas is weggereden nadat hij zich ervan had vergewist dat het slachtoffer van hulp werd voorzien. De verdachte heeft verklaard dat hij “door de schrik snel” naar het huis van zijn moeder is gereden. De raadsman heeft in dit verband aangevoerd dat de verdachte in paniek is weggereden en dat hij aanvankelijk niet op de hoogte was van het letsel dat daarbij was opgelopen, terwijl hij hulp zou hebben verleend als hij daarvan wel op de hoogte zou zijn geweest. In de bestreden uitspraak ligt besloten dat het hof heeft geoordeeld dat zich in dezen niet de situatie voordeed waarin de bestuurder ervan mocht uitgaan dat daadwerkelijk dusdanig adequate hulp werd geboden, dat geen sprake meer was van een ‘hulpeloze toestand’ als bedoeld in art. 7, eerste lid onder b, WVW 1994. Daarbij wijs ik erop dat de verdediging niet heeft aangevoerd dat op het moment dat de verdachte wegreed reeds medische hulp aan de aangever zou zijn geboden. Het hof heeft het verweer aldus verworpen op gronden die die verwerping kunnen dragen.
15. De klacht dat uit de bewijsvoering niet volgt dat de verdachte wist dat hij iemand in hulpeloze toestand achterliet, kan – gelet op het voorafgaande – evenmin slagen. Ik wijs in dit verband in het bijzonder op de verklaring van de verdachte, voor zover inhoudende dat “er een bromfietser tegen de rechter voorkant van de auto aanreed en van zijn bromfiets afvloog” en dat hij “door de schrik” snel naar het huis van zijn moeder is gereden. Het in de bestreden uitspraak besloten liggende oordeel dat de verdachte daarmee minst genomen bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat de aangever letsel was toegebracht en in hulpeloze toestand werd achtergelaten, is niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd.
16. Het middel faalt.
17. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
18. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
Voetnoten
1.Onderdeel 21 van mijn conclusie voorafgaand aan HR 1 september 2015, ECLI:NL:HR:2015:2452.
2.Onderdeel 21 van mijn conclusie voorafgaand aan HR 1 september 2015, ECLI:NL:HR:2015:2452, onder verwijzing naar onderdeel 5 van de conclusie van mijn voormalig ambtgenoot Wortel voorafgaand aan HR 10 april 2007, nr. 00249/06 (niet gepubliceerd).
3.Vgl. A.J.A. van Dorst,
4.Een aanwijzing voor die uitleg vind ik ook in de tot het bewijs gebezigde verklaring van de verdachte (bewijsmiddel 5), voor zover inhoudende: “Ik reed net enige centimeters de weg op, om goed zicht te krijgen op de rijbaan en hoorde en zag toen een harde knal en zag dat er een bromfietser tegen de rechter voorkant van de auto aanreed en van zijn bromfiets afvloog. Ik ben door de schrik snel naar het huis van mijn moeder gereden.”