Conclusie
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
CONCLUSIE
proces-verbaal van aangifte, voor zover inhoudende – zakelijk weergegeven – als de verklaring van (…), (…):
proces-verbaal van aanhouding, voor zover inhoudende – zakelijk weergegeven – als de
verklaring van verbalisant,
(…):
proces-verbaal van verhoor verdachte, voor zover inhoudende – zakelijk weergegeven – als de
verklaring van verdachte, (…):
NJ2013/159, rov. 2.3. In die zaak had de verdachte op een bouwterrein een zaagmachine en een kabel geplaatst op de laadvloer van zijn vrachtwagen die op dat bouwterrein stond geparkeerd. De Hoge Raad overwoog dat het kennelijke oordeel van het hof dat de verdachte door zo te handelen zich een zodanige feitelijke heerschappij over de goederen had verschaft dat de wegneming daarvan was voltooid, geen blijk gaf van een onjuiste rechtsopvatting. [6]
NJ2016/118. Het hof had in die zaak vastgesteld dat de verdachte samen met een ander in een speelgoedwinkel een doos met daarin een looptrainer had gepakt, had meegenomen naar de andere kant van de winkel, aldaar de looptrainer uit de verpakking had gehaald en vervolgens heimelijk een (veel duurdere) spelcomputer in die lege doos had gestopt. Het oordeel van het hof dat de verdachte aldus samen met een ander deze spelcomputer zodanig aan de feitelijke heerschappij van de rechthebbende had onttrokken dat de wegneming daarvan – in de zin van art. 310 Sr Pro – was voltooid, gaf volgens de Hoge Raad geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting.
NJ2019/269, m.nt. Rozemond. In die zaak had het hof vastgesteld dat de verdachte een laptop, sieraden en een oplader van een mobiele telefoon had gepakt en deze in een tas had gestopt en dat deze goederen in die tas klaar lagen om mee naar buiten te worden genomen. Mede op basis van deze vaststellingen had het hof kennelijk geoordeeld dat de verdachte zich aldus een zodanige feitelijke heerschappij over de goederen had verschaft dat de wegneming daarvan – in de zin van art. 310 Sr Pro – was voltooid. Dat oordeel gaf volgens de Hoge Raad geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en was niet onbegrijpelijk.