Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het eerste middel
3.Beoordeling van het tweede middel
4.Beslissing
23 april 2019.
Hoge Raad
De zaak betreft een jeugdige verdachte die op 15 september 2016 in Rotterdam een bedrag van €400 ontving voor de aankoop van een iPhone, maar zonder de telefoon te leveren met het geld wegrende. De aangever deed aangifte en getuigenverklaringen en politieonderzoek ondersteunden het verhaal dat verdachte zich feitelijke heerschappij over het geld verschaft had.
Het hof oordeelde dat het wegrennen met het geld zonder levering van de iPhone een wegnemingshandeling is zoals bedoeld in artikel 310 Sr Pro, en verklaarde de verdachte schuldig aan diefstal. De verdachte stelde in cassatie dat het wegrennen met het geld geen wegneming was, maar de Hoge Raad verwierp dit verweer.
De Hoge Raad herhaalde de criteria voor diefstal onder art. 310 Sr Pro, met name dat de dader zich feitelijke heerschappij over het goed moet hebben verschaft. Gezien de feiten en het oordeel van het hof was het niet onbegrijpelijk dat het hof tot een veroordeling kwam. Het cassatieberoep werd verworpen en het arrest van het hof bekrachtigd.
Uitkomst: Hoge Raad bevestigt veroordeling voor diefstal door wegrennen met geld zonder levering iPhone.