Conclusie
Nummer18/03307 E
Bewezenverklaring en bewijsoverwegingen
Vaststelling van de feitelijke gang van zaken
Bewijsoverwegingen
Artikel 32 Arbeidsomstandighedenwet
Het eerste middel
eerstemiddel klaagt dat het bewezenverklaarde causale verband tussen de verzuimen en het te verwachten levensgevaar of de ernstige schade aan de gezondheid van de werknemers onvoldoende steun vindt in de bewijsmotivering. De bewezenverklaring voor zover inhoudend dat ‘daardoor’ levensgevaar of ernstige schade aan de gezondheid van die werknemer(s) te verwachten was, zou blijk geven van een onjuiste rechtsopvatting en/of onbegrijpelijk zijn, in aanmerking genomen ‘dat andere dan de vier in de bewezenverklaring genoemde omstandigheden tot de (levens-)gevaarlijke situatie in de mestsilo hebben geleid’. De steller van het middel wijst erop dat de verdachte van mening is dat de risico’s en gevaren werden veroorzaakt door het feit dat hoge concentraties giftige gassen in de silo waren vrijgekomen als gevolg van de vermenging van mest en spuiwater en/of als gevolg van het wegspuiten van de met spuiwater vermengde rundermest uit de silo. Dat door het niet treffen van arbeidsveiligheidsmaatregelen levensgevaar of ernstige schade aan de gezondheid van de werknemers te verwachten was, zou bovendien onbegrijpelijk zijn ‘omdat een papieren realiteit op basis van regels en voorschriften nimmer een gevaar veroorzaakt, maar hooguit een gevaar blootlegt’. Aan toepassing van de leer van de redelijke toerekening zou een conditio sine qua non-toets vooraf gaan, en het treffen van de in de tenlastelegging opgenomen veiligheidsmaatregelen zou niet een voorwaarde zijn ‘zonder welke de gevaren zich niet zouden hebben voorgedaan’. Ook de voorzienbaarheid van het gevolg zou moeten worden meegewogen, en het onderhavige gevaar zou, ook als de B.V. wel alle maatregelen had getroffen, niet voorzienbaar zijn geweest. De steller van het middel wijst er tenslotte op dat het hof niet expliciet aan de maatstaf van de redelijke toerekening heeft getoetst.
Het tweede middel
tweedemiddel klaagt dat ’s hofs oordeel dat de rechtspersoon ‘redelijkerwijs moest weten’ dat levensgevaar of ernstige schade aan de gezondheid van haar werknemers te verwachten was, blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting en/of onbegrijpelijk is, in aanmerking genomen dat de situatie in de mestsilo een andere was dan redelijkerwijs verwacht mocht worden en er vooraf geen indicaties waren dat de werknemers in de silo uitzonderlijke risico’s liepen. De steller van het middel wijst erop dat het onderzoek van Counotte et al. betrekking had op vrijkomende gassen bij het mixen van mest in (volle) mestkelders, en stelt dat in de mestsilo in Makkinga al jaren niet (op een juiste wijze en met een geschikte mixer) was gemixt, dat in de periode voor de schoonmaakwerkzaamheden (een aantal keren) spuiwater is toegevoegd aan de rundermest en dat voor de rechtspersoon en haar werknemers niet te voorzien was dat de concentraties giftige gassen in de silo extreem hoog waren. Daarbij zou de opdrachtgever kennis hebben gehad van de zeer gevaarlijke situatie in de silo, zodat het op diens weg had gelegen dit te melden aan de verdachte, de rechtspersoon en/of haar werknemers. Het hof zou voorts hebben miskend dat de verdachte, de rechtspersoon en haar werknemers de risico’s bij een normale situatie kenden en onder controle hadden. De getroffen veiligheidsmaatregelen waren daarop afgestemd en toereikend. Dat er al langere tijd niet gemixt was en dat spuiwater aan de rundermest was toegevoegd was voor de verdachte, de rechtspersoon en haar werknemers niet voorzienbaar; dat heeft volgens de steller van het middel tot gevolg dat ’s hofs oordeel dat de rechtspersoon ‘redelijkerwijs moest weten’ dat er levensgevaar of gevaar voor ernstige schade aan de gezondheid van de werknemers te verwachten was, onbegrijpelijk is. De steller van het middel wijst er daarbij op dat er nog nooit iemand was omgekomen in een zuiglege mestsilo met daarin louter nog een hoeveelheid rundermest en dat de verdachte, de rechtspersoon en haar werknemers ruimschoots ervaring hadden met het veilig schoonmaken van zuiglege mestsilo’s.
derdemiddel klaagt dat de redelijke termijn zoals bedoeld in art. 6 EVRM Pro, in het bijzonder de inzendingstermijn, is overschreden.