Conclusie
1.Feiten en procesverloop
tussenarrest van 12 april 2013 [1] heeft de Hoge Raad in rov. 3.1 onder (i) tot en met (vii) de belangrijkste feiten samengevat en het procesverloop tot dan toe beschreven.
arrest van 18 september 2014, C-205/13, ECLI:EU:C:2014:2233 [2] (
Hauck/Stokke) beantwoord als volgt:
nietmede bestrijkt het geval dat in de vorm van de waar een ander element dat niet inherent is aan de generieke functie van de waar, zoals als een sier- of fantasie-element, een belangrijke of wezenlijke rol speelt.
arrest van 27 november 2015 [4] nam de Hoge Raad bij de bespreking van onderdeel IV.2 van het middel in het incidentele cassatieberoep tot uitgangspunt dat in rov. 5.7.2 van het tussenarrest van 12 april 2013 het arrest van het gerechtshof ’s-Gravenhage van 31 mei 2011 [5] heeft uitgelegd in die zin, dat het hof van oordeel was dat het vormmerk van Stokke A/S een teken is dat uitsluitend bestaat in een vorm die
gedeeltelijkbeantwoordt aan art. 3 lid Pro 1, aanhef en onder e (i) en
voor het overigeaan e (iii) van de Merkenrichtlijn (rov. 3.2.2). De Hoge Raad overwoog dat het antwoord van het HvJEU op de derde prejudiciële vraag meebrengt dat onderdeel IV.2 slaagt (rov. 3.2.3 - 3.2.4 HR). De Hoge Raad heeft het arrest van 31 mei 2011 vernietigd en het geding ter verdere behandeling en beslissing verwezen naar het gerechtshof Amsterdam. Daarbij heeft de Hoge Raad aan de verwijzingsrechter de volgende aanwijzingen gegeven:
arrest van 5 februari 2019(ECLI:NL:GHAMS:2019:262) heeft het gerechtshof Amsterdam het vonnis van de rechtbank te ’s-Gravenhage van 4 oktober 2000 [6] in conventie en reconventie, voor zover aan zijn oordeel onderworpen, bekrachtigd en een beslissing genomen over de proceskosten.
onontbeerlijkis of dat daarvan reeds sprake is bij aanwezigheid van een of meer wezenlijke gebruikskenmerken van een waar waarnaar de consument mogelijkerwijs in de waren van concurrenten zoekt. Het HvJEU heeft deze vraag aldus begrepen dat de Hoge Raad wenst te vernemen of bedoelde bepaling zo moet worden uitgelegd dat de daarin vastgestelde weigeringsgrond enkel van toepassing kan zijn op een teken dat uitsluitend bestaat uit een vorm die voor de functie van de waar onontbeerlijk is, of ook op een teken dat uitsluitend bestaat uit een vorm waarbij één of meer wezenlijke gebruikselementen van deze waar aanwezig zijn waarnaar de consument mogelijkerwijs in de waren van concurrenten zoekt (rov. 2.3).
doeldat - in het algemeen belang - met de in art. 3 lid 1 sub e van Pro de Merkenrichtlijn genoemde verboden van inschrijving wordt nagestreefd, namelijk het verhinderen dat als gevolg van de bescherming van het merkenrecht de merkhouder een monopolie verkrijgt van (in beginsel) onbeperkte duur op (technische of gebruiks-)kenmerken van een waar waarnaar gebruikers mogelijkerwijs in waren van concurrenten zoeken. Volgens het HvJEU dienen bij de beoordeling van de vraag of de hier besproken uitsluitingsgrond van toepassing is de belangrijkste elementen van het teken te worden geïdentificeerd en kan deze grond geen toepassing vinden indien een element dat niet inherent is aan de generieke functie van de waar, zoals een sier- of fantasie-element, een belangrijke of wezenlijke rol speelt. Het gaat volgens het HvJEU echter te ver om - zoals eerder wel werd aangenomen - deze bepaling zo uit te leggen dat de weigeringsgrond enkel van toepassing is op tekens die uitsluitend bestaan uit vormen die voor de functie van de betrokken waar onontbeerlijk zijn, zonder enige marge te laten voor een wezenlijke eigen bijdrage van de betrokken producent, en deze weigeringsgrond daarmee te beperken tot de zogeheten “natuurlijke” of “gereguleerde” waren (die hoe dan ook onderscheidend vermogen missen). In beginsel moet ook de inschrijving worden geweigerd van vormen waarvan (niet alle maar wel) de wezenlijke kenmerken inherent zijn aan de generieke functie van de waar, opdat ook concurrerende ondernemingen hun waren een vorm kunnen geven die nuttig is voor het gebruik van deze waren. Het HvJEU geeft daarom als antwoord op de door de Hoge Raad gestelde vraag dat de weigeringsgrond van art. 3 lid 1 sub Pro e (i) Merkenrichtlijn van toepassing kan zijn op een teken dat uitsluitend bestaat uit de vorm van een waar waarbij een of meerdere wezenlijke gebruikskenmerken aanwezig zijn die inherent zijn aan de generieke functie of functies van deze waar en waarnaar de consument mogelijkerwijs in de waren van concurrenten zoekt (rov. 2.4).
2.Bespreking van het cassatiemiddel in het principaal cassatieberoep
Ter inleiding
bislid 1, aanhef en onder e. In het geding na verwijzing is nog getoetst aan de oude Merkenrichtlijn.
Hauck/Stokke) heeft het HvJEU antwoord gegeven op de drie prejudiciële vragen die de Hoge Raad had gesteld in zijn tussenarrest van 12 april 2013. Voor het principaal cassatieberoep in de huidige zaak is het antwoord op vraag 1 van belang. Het HvJEU heeft, zoals gezegd, vraag 1 beantwoord in die zin dat art. 3, lid 1, onder e, eerste streepje, van de Eerste richtlijn (89/104/EEG) van 21 december 1988 betreffende de aanpassing van het merkenrecht der lidstaten aldus moet worden uitgelegd dat de in deze bepaling vastgestelde grond voor weigering van inschrijving van toepassing kan zijn op een teken “dat uitsluitend bestaat uit de vorm van een waar waarbij één of meerdere wezenlijke gebruikskenmerken aanwezig zijn die inherent zijn aan de generieke functie of functies van deze waar en waarnaar de consument mogelijkerwijs in de waren van concurrenten zoekt”. [13] Het HvJEU heeft dit oordeel gemotiveerd in de punten 17 – 26 van zijn arrest.
Philips/Remingtonen
Lego Juris/BHIM,waarnaar het HvJEU verwijst, ging het om de weigerings- en nietigheidsgrond, genoemd in art. 3, lid 1 onder e (ii): tekens die uitsluitend bestaan uit de vorm van de waar die noodzakelijk is om een technische uitkomst te verkrijgen. [17] Die uitsluitingsgrond moet beletten dat een ondernemer het merkenrecht gebruikt om een uitsluitend recht op technische oplossingen zonder tijdslimiet te laten voortbestaan en daarmee in feite een monopolie schept. Dat is niet de bedoeling: “in het stelsel van intellectuele-eigendomsrechten zoals dat in de Unie is ontwikkeld, kunnen technische oplossingen enkel voor een beperkte duur worden beschermd, zodat zij daarna ongestoord door alle marktdeelnemers kunnen worden gebruikt.” [18]
eerste streepje, van de Merkenrichtlijn genoemde weigerings- en nietigheidsgrond hetzelfde doel nastreeft als de gronden achter het tweede en het derde streepje. Het bepaalde achter het eerste streepje moet worden uitgelegd in overeenstemming daarmee (punt 20). [19]
Lego Juris/BHIM(noodzakelijk om een technische uitkomst te verkrijgen), ook voor de twee andere uitsluitingsgronden in art. 3 lid 1 onder Pro e geldt. Hij betoogt: [20]
natuurlijkevormen (zoals de vorm van een citroen voor citroenen) en
voorgeschrevenvormen (zoals de vorm van een rugbybal voor rugbyballen), is daarmee van de baan. [24]
allewezenlijke kenmerken worden bepaald door de aard van de waar (en zijn toe te schrijven aan de gebruiksfunctie die de betrokken waar vervult). Zo leidt Geerts uit het arrest van het HvJEU af als criterium, dat de inschrijving als merk van een vorm moet worden geweigerd indien deze
enkelbestaat uit de kenmerken die gewoonlijk worden toegeschreven aan de betrokken waar: [25]
per definitieniet functie-inherent is. [31] Gielen schrijft dat deze weigerings- en nietigheidsgrond niet van toepassing is indien - naast het geval dat één of meer wezenlijke kenmerken van de waar inherent is aan de generieke functie(s) van de waar - andere elementen, zoals een sier- of fantasie-element, een belangrijke rol spelen. [32]
Lego Juris/BHIM− van technische oplossingen of gebruikskenmerken die niet kunnen worden gemonopoliseerd. Gielen meent dat er geen behoefte is aan de ‘aard van de waar’ als criterium voor weigering of nietigverklaring van een merkdepot naast de reeds strenge toets van het onderscheidend vermogen en naast de uitsluiting van vormen die door de technische uitkomst worden bepaald. [38] Pinckaers concludeert dat het HvJEU de bepaling teleologisch uitlegt: belangrijke kenmerken die inherent zijn aan de generieke functie(s) van de waar mogen niet worden voorbehouden aan één merkhouder, omdat concurrenten hun waren de vorm moeten kunnen geven die voor de consument nuttig is of kan zijn voor het gebruik daarvan. [39]
Subonderdeel 1.1is gericht tegen de tweede volzin, waar het hof vervolgt: “Het zijn echter juist deze aspecten van de vormgeving van de stoel die in hoge mate bepalend zijn voor de hierboven beschreven gebruikskenmerken en die de stoel zo geschikt maken voor zijn functie als kinderstoel”. Volgens de klacht (onder randnr. 13) is deze overweging ongeschikt als redengeving omdat de eerste volzin niet duidt op wezenlijke gebruikskenmerken die inherent zijn aan de generieke functie van een kinderstoel. Niet kan worden gezegd dat de kenmerken die het hof heeft genoemd – te weten de schuine staanders waarin alle elementen van de stoel zijn verwerkt; de (cursieve) L-vorm van de staanders en liggers; de (strakke) vormgeving; het aantrekkelijke uiterlijk − de stoel zo geschikt maken voor zijn functie als kinderstoel, hetzij is het oordeel onvoldoende gemotiveerd in het licht van de stelling van Stokke c.s. dat de schuine L-vorm van de staanders en liggers niets te maken heeft met wezenlijke gebruikskenmerken waarnaar een consument op zoek is in een verstelbare kinderstoel. [40]
gebruiksfunctievan de kinderstoel (en dus naar de met de vorm van de stoel bereikte functionaliteit mogelijk op zoek zal gaan in waren van concurrenten). Zoals gezegd (zie alinea 1.4 hiervoor), bestrijkt deze uitsluitingsgrond
niet(mede) het geval dat in de vorm van de waar een ander element dat niet inherent is aan de generieke functie van de waar (zoals een sier- of fantasie-element) een belangrijke of wezenlijke rol speelt. Het hof heeft daartoe de feiten opnieuw onderzocht en gewaardeerd (vgl. rov. 2.2. slot). Dat een wezenlijk gebruikskenmerk (zijnde inherent aan de generieke functie van een kinderstoel) van de Tripp Trapp-stoel
bovendieneen aantrekkelijk uiterlijk aan die stoel geeft door zijn strakke vormgeving, speelt − in de redenering van het hof – niet een wezenlijke of belangrijke rol. In de ogen van het hof is dat aantrekkelijke uiterlijk voor de consument minder van belang dan aspecten zoals het gebruiksgemak en de veiligheid van de kinderstoel, die wezenlijke functionele kenmerken zijn van de (als vormmerk gedeponeerde) Tripp Trapp-stoel. Die redengeving verklaart waarom de gedeponeerde vorm wel auteursrechtelijk kan worden beschermd, maar niet als vormmerk.
allein rov. 2.6 genoemde gebruikskenmerken. De klacht houdt in dat dit oordeel onbegrijpelijk is, omdat niet zonder meer valt in te zien dat
elkvan de genoemde kenmerken behoort tot de wezenlijke gebruikskenmerken van een kinderstoel. [41]
subonderdeel 1.2richt het middelonderdeel zich rechtstreeks tegen het oordeel dat “juist deze aspecten van de vormgeving” van de stoel “in hoge mate bepalend zijn voor de hierboven beschreven gebruikskenmerken en die de stoel zo geschikt maken voor zijn functie als kinderstoel”. Volgens de klacht heeft het hof miskend dat maatstaf dient te zijn of de aspecten kwalificeren als wezenlijke gebruikskenmerken die inherent zijn aan de generieke functie van de stoel [42] en dat het bij dit criterium erom gaat of de betreffende gebruikskenmerken
onlosmakelijk verbondenzijn aan de kinderstoel. Dat levert, volgens de klacht, een hogere drempel op dan het door het hof genoemde “in hoge mate bepalend zijn” (vgl. rov. 2.7, tweede volzin).
gebruikskenmerkenbeschreven en de gevolgtrekking gemaakt dat door de beschreven constructie een kinderstoel ontstaat die veilig, deugdelijk en comfortabel is en in ergonomisch en pedagogisch opzicht verantwoord voor zijn functie als kinderstoel. In rov. 2.7 ziet het hof de vorm van de stoel en met name de toepassing van schuine staanders en de cursieve L-vorm van de staanders en liggers als de elementen die deze stoel zo geschikt maken voor deze functie. Onder verwijzing naar voormelde uitspraak van het HvJ EU verwerpt het hof in rov. 2.7 uitdrukkelijk het standpunt van Stokke c.s. dat de toepassing van deze weigerings- en nietigheidsgrond (‘de aard van de waren’) beperkt zou zijn tot de vormen die voor de functie van de waar
onontbeerlijkzijn. Dat oordeel sluit aan bij de (ruime) opvatting in het arrest van het HvJEU en geeft als zodanig niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting.
allewezenlijke gebruikskenmerken inherent zijn aan de generieke functie van de waar [43] . Het hof had daarom
allewezenlijke kenmerken aan dit criterium moeten toetsen.
nietinherent zijn aan de generieke functie van de waar. Dat is niet het geval bij sier- of fantasie-elementen: een tot de verbeelding sprekend voorbeeld is de in alinea 2.15 genoemde tandenborstel met een handvat in de vorm van een sprookjesfiguur. Het handvat van een (naar ik begrijp: niet elektrische) tandenborstel is inherent aan de functie van een tandenborstel; de sprookjesfiguur niet, hoezeer die sprookjesfiguur ook aantrekkelijk kan zijn voor de koper die een kindertandenborstel zoekt.
gebruikskenmerken, zoals het Amsterdamse gerechtshof als hoogste feitenrechter in dit geval klaarblijkelijk heeft aangenomen, [45] brengt – naast punt 27 en het dictum − ook de door het HvJEU in punt 25 van genoemd arrest weergegeven ratio mee dat in beginsel de uitsluitingsgrond onder e onder (i) van toepassing is: anders zouden die niet van de vorm af te scheiden gebruikskenmerken door toekenning van een merkrecht voorgoed kunnen worden gemonopoliseerd door één merkhouder. De rechtsklacht van subonderdeel 1.2 stuit hierop af.
gebruiksfunctievan de Tripp Trapp-stoel en mogelijkerwijs op zoek zal gaan in waren van concurrenten naar de
met de vorm van de stoel bereikte functionaliteit. Omdat rov. 2.7 direct volgt op rov. 2.6, waarin het hof de vormkenmerken en eigenschappen van het gedeponeerde teken (vormmerk) had samengevat, is voor de lezer begrijpelijk dat – en waarom − het hof de in dit subonderdeel bedoelde andere kenmerken wel heeft waargenomen, maar niet “in hoge mate bepalend” heeft geacht. Ik maak hieruit op dat het hof heeft onderzocht of in de vorm van de waar een ander element dat
nietinherent is aan de generieke functie van de waar een belangrijke of wezenlijke rol speelt. De motiveringsklacht faalt om deze reden.
zoalseen sier- of fantasie-element, een belangrijke of wezenlijke rol speelt [49] . Volgens de toelichting op deze klacht heeft het HvJEU een sier- of fantasie-element slechts als voorbeeld genoemd: in de bestreden overweging zou het hof dit voorbeeld ten onrechte hebben verheven tot de toepasselijke rechtsnorm. Zij klagen dat uit het arrest niet blijkt dat het hof heeft onderzocht of elementen bestaan, niet zijnde een sier- of fantasie-element, die
nietinherent zijn aan de generieke functie van de waar, maar niettemin een belangrijke of wezenlijke rol spelen.
zoalseen sier- of fantasie-element”). Daarmee is het hof uitgegaan van de maatstaf die Stokke c.s. heeft verdedigd en waarin een sier- of fantasie-element een voorbeeld is van elementen die niet inherent zijn aan de generieke functie van de waar. De klacht faalt.
Vitra Design Museum. Er is dan ook sprake van een revolutionair ontwerp met een hoge mate van oorspronkelijkheid en een nieuwe visie op het tot dan toe bestaande concept van een kinderstoel [52] .
nietinherent is aan de generieke functie van de waar, een belangrijke of wezenlijke rol speelt. Die vraag heeft het hof ontkennend beantwoord. Het hof mocht daarbij volstaan met een beoordeling van het gedeponeerde teken in totaal: geen rechtsregel noopte het hof om in zijn redengeving uitdrukkelijk en afzonderlijk in te gaan op elk van de onder (i) tot en met (vii) in dit subonderdeel opgesomde elementen. Het hof behoefde in zijn motivering evenmin nader in te gaan op de gestelde bekroning van dit stoelontwerp met verschillende prijzen of op het feit dat de Tripp Trapp-stoel is opgenomen in de collectie van een museum. Die argumenten kunnen erop duiden dat het stoelontwerp voor auteursrechtelijke bescherming in aanmerking komt, maar zijn als zodanig niet van doorslaggevend of overwegend belang voor de vraag of daarnaast ook nog de mogelijkheid van merkrechtelijke bescherming bestaat. De slotsom is dat subonderdeel 1.5 faalt.
Bespreking van het cassatiemiddel in het voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep
onderdeel 1.1voert Hauck aan dat zij in de procedure bij het hof had aangevoerd dat de vorm van de Tripp Trapp-stoel een wezenlijke waarde aan de stoel geeft, zodat het merkdepot óók op grond van de uitsluitingsgrond van art. 3 lid Pro 1, aanhef en onder e (iii), Merkenrichtlijn als nietig moet worden beschouwd. [55] De klacht houdt in dat het hof ten onrechte, zonder kenbare motivering, aan dit standpunt is voorbijgegaan.
uitsluitendis ingegaan op de vraag of de in art. 3 lid Pro 1, aanhef en onder e (i), Merkenrichtlijn genoemde uitsluitingsgrond hier van toepassing is. Ook het woord “reeds” in de eerste zin van rov 2.8 duidt hierop. Om die reden behoefde het hof niet meer in te gaan op de vraag of (ook) de uitsluitingsgrond van art. 3 lid Pro 1, aanhef en onder e (iii), Merkenrichtlijn van toepassing is.