Conclusie
4.Het eerste middel
daadwerkelijkuit was op seks/seksuele handelingen. Ondanks de ongepaste opmerkingen of grapjes die hij wel eens maakte. Desondanks blijven de verhoorders hen confronteren met hoe
zijde berichtjes lezen en opvatten en wat zij daarvan vinden.
“(..) deze dochter nam verdachte eerst in bescherming in verband met haar moeder die voor hem werkte”. Ik acht het niet juist dat dit niet in het p-v zelf is opgenomen. Maar belangrijker nog, de genoemde reden kan gelet op de verklaring van [slachtoffer 2] niet overtuigen. Hoe verhoudt dit zich tot het feit dat zij zelf verklaarde dat de verdenking onzin was,
“Anders zou ik niet elke dag bij hem zitten”, en dat zij – nadat haar telefoon in beslag was genomen – [verdachte] wilde zien en langs wilde gaan, en dat cliënt dit zelf heeft afgehouden.
“Ik heb nooit gemerkt aan iets dat dat anders zou zijn”, aldus [betrokkene 1].
“We hebben samen gewoon heel veel leuke dingen gedaan. Ook toen zijn vriendin er nog bij was en met mijn zusje.”en op de vraag van de verbalisanten waarin het contact verder gaat dan als vrienden, antwoordde zij: “
Wet als met mijn zus. Maar ik begrijp niet waarom [ik, LH] er zo over moet praten. Ik bespreek ook alles met vriendinnen. En dat bespreek ik ook met hem. Dat is hetzelfde. Omdat hij zo oud is zie ik hem als broer. Ik ga niet zeggen: he dit is mijn vriend [verdachte]. Ik zeg dit is mijn broer of oom”.[slachtoffer 2] kwam wel drie tot vier keer per week bij hem.
bijlage 2) als hier herhaald en ingelast te beschouwen (bij afwijzing zal ik dit voordragen).
5.Het tweede middel
Misbruik van uit feitelijke verhoudingen voortvloeiend overwicht
NJ2007/387 m.nt. Buruma overwoog de Hoge Raad onder 5.5.2: “De werkwijze die het Hof in de onderhavige zaak heeft gevolgd ten aanzien van de bewijsmotivering, komt erop neer dat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de beslissing steunt dat de verdachte het tenlastegelegde feit heeft begaan, in een terstond uitgewerkt arrest zijn vermeld in een bewijsredenering waarbij het Hof heeft volstaan met een verwijzing naar de wettige bewijsmiddelen waaraan die feiten en omstandigheden zijn ontleend. In beginsel is die werkwijze niet in strijd met art. 359, derde lid, Sv. Een dergelijke bewijsredenering kan de inzichtelijkheid van de door de rechter gevolgde gedachtegang bevorderen, terwijl niet wordt tekortgedaan aan een andere wezenlijke functie van de bewijsmotivering, namelijk dat de rechter op controleerbare wijze zich ervan vergewist dat de beslissing dat de verdachte het tenlastegelegde feit heeft begaan, steunt op daartoe redengevende feiten en omstandigheden die zijn ontleend aan wettige bewijsmiddelen.”