Conclusie
2.Procesverloop
3.Belang bij het cassatieberoep
Onderdeel 1klaagt over rov. 3.4 tot en met 3.6 en 3.9 waarin het hof, samengevat, oordeelt dat de rechtspraak van de Afdeling in overeenstemming is met het vereiste van individuele beoordeling dat volgt uit de rechtspraak van het Hof van Justitie van de EU (hierna: HvJ).
Onderdeel 2klaagt over het oordeel in rov. 3.7 dat de Afdeling niet de prejudiciële verwijzingsplicht van art. 267, derde alinea, VWEU heeft geschonden.
Onderdeel 3bevat een louter voortbouwende klacht.
4.De beoordeling door de Afdeling van het Nederlandse 1F-beleid
B en D/Duitsland. [17] Deze zaak betrof twee vluchtelingen die actief lid waren geweest van als terroristisch aangemerkte organisaties. Het HvJ overweegt, kort gezegd, dat dit als zodanig onvoldoende is voor toepassing van art. 12 lid 2 Definitierichtlijn Pro omdat deze bepaling een individueel onderzoek vereist:
B en D/Duitslandvoor recht verklaard:
Lounani, die ging over de weigering om de vluchtelingenstatus toe te kennen aan een vreemdeling die in België was veroordeeld tot gevangenisstraf wegens deelneming aan de activiteiten van een terroristische groep, overwoog het HvJ in lijn met het arrest
B en D/Duitsland: [18]
Notitie betreffende de toepassing van artikel 1F Vluchtelingenverdragvermeldt onder meer: [23]
Toepassing van artikel 1F Vluchtelingenverdrag
B en D/Duitslandaan orde was.
B en D/Duitslandvan het HvJ in overeenstemming is met art. 12 lid 2 Definitierichtlijn Pro: J
B en D/Duitsland, en overweegt dat zich geen tot prejudiciële verwijzing nopende twijfel voordoet:
B en D/Duitsland:
B en D/Duitsland. De Staat heeft in feitelijke instantie aangevoerd dat daarop is gereageerd bij brief van 15 februari 2016, waarin wordt toegelicht dat in iedere zaak waarin art. 1F wordt toegepast een individuele beoordeling plaatsvindt en waarin is uiteengezet op welke wijze deze beoordeling bij (onder)officieren van de KhAD/WAD wordt verricht. [36] De Staat wijst er voorts op dat deze brief van de Europese Commissie dateert van na de uitspraak van de Afdeling in de zaak van [eiser 1] , zodat reeds daarom de Afdeling geen aanleiding had om daarop te reageren. [37]
B en D/Duitsland. Sommige auteurs menen dat dit beleid op gespannen voet staat met het vereiste van een individuele toets. [41] Zo schrijft Battjes in zijn noot onder dit arrest: [42]
5.Het juridisch kader
Köbler-arrest van het HvJ. [45] In de rechtspraak van de Hoge Raad is deze zogenaamde Köbler-aansprakelijkheid eerder aan de orde gekomen. HR 21 december 2018, ECLI:NL:HR:2018:2396 (
Verkeersvliegers/Staat) overwoog over de toepasselijke maatstaf: [46]
Verkeersvliegers/Staatoverwoog de Hoge Raad ten aanzien van de vraag of de hoogste rechter (in die zaak de Hoge Raad zelf) het Unierecht had geschonden door in een arrest van 2012 het Unierecht op een bepaalde manier toe te passen en daarover geen prejudiciële vraag aan het HvJ te stellen:
6.Bespreking van het cassatiemiddel
B en D/Duitslandis vereist (zie rov. 2.10 van het arrest). De zaak ziet niet op de werkwijze van de IND (rov. 3.2 van het arrest).
B en D/Duitsland. Dat op grond van het ambtsbericht voor (onder)officieren van de KhAD/WAD in beginsel wordt aangenomen dat het bewijs is geleverd dat zij een misdrijf als bedoeld in art. 1F Vv hebben begaan zodat het aan de vreemdeling is dat bewijs te ontzenuwen, maakt niet dat geen sprake meer zou zijn van een individuele beoordeling. (rov. 3.4)
alleofficieren en onderofficieren van de KhAD/WAD hebben meegedaan aan de schending van mensenrechten, omdat zij – uitzonderingen als zij-instromers daargelaten – anders die positie niet zouden hebben verworven. Indien dan ten aanzien van een individuele asielzoeker die (onder)officier in de KhAD/WAD is geweest wordt geconcludeerd dat hij, behoudens tegenbewijs, ook aan die mensenrechtenschendingen heeft meegedaan, is dat nog steeds een individuele beoordeling. Het feit dat hij deel uitmaakt van een grotere groep van personen die in dezelfde positie verkeren maakt dat niet anders. Gezien dit ambtsbericht verschilt de situatie van (onder)officieren in de KhAD/WAD wezenlijk van die welke aan de orde was in het arrest
B en D/Duitsland. (rov. 3.6)
a) indien de Afdeling het ambtsbericht kritiekloos als bewijsmiddel zou hebben aanvaard of (
b) indien de vreemdeling in enig opzicht beperkt zou zijn in het aanvoeren van aanknopingspunten die de uit het ambtsbericht getrokken conclusies in twijfel kunnen trekken. (rov. 3.4)
a. De Afdeling heeft de betrouwbaarheid van het ambtsbericht indringend getoetst door kennisneming van de daaraan ten grondslag liggende bronnen en heeft onderzocht of het standpunt van de UNHCR, zoals neergelegd in de ‘UNHCR-Note’ van 13 mei 2008, aanleiding vormde om aan de juistheid of volledigheid van het ambtsbericht te twijfelen. Zij heeft die vraag ontkennend beantwoord. Tegen deze achtergrond is de omstandigheid dat de Afdeling in volgende uitspraken de conclusies van het ambtsbericht tot uitgangspunt neemt niet een teken dat daartegen niets meer zou kunnen worden ingebracht. (rov. 3.4)
b. Ook overigens is niet gebleken dat de vreemdeling beperkt is in zijn mogelijkheden de juistheid of volledigheid van het ambtsbericht dan wel de conclusies die daaruit ten aanzien van zijn positie in de KhAD/WAD worden getrokken aan te vechten of dat aan het ontzenuwen van de conclusies uit het ambtsbericht onredelijke eisen worden gesteld. Voldoende is dat de vreemdeling feiten en omstandigheden stelt die aannemelijk maken dat concrete aanknopingspunten bestaan voor twijfel aan de juistheid en volledigheid van het ambtsbericht. Dat is niet een onredelijke eis. (rov. 3.5).
subonderdelen 1.a tot en met 1.cmiskent het hof in rov. 3.4 tot en met 3.6 dat blijkens het arrest
B en D/Duitslandde bevoegde autoriteit verplicht is alle relevante omstandigheden te onderzoeken en daarbij met name zal moeten letten op de in die rechtspraak bedoelde gezichtspunten. Het arrest van het hof getuigt van een onjuiste rechtsopvatting omtrent de in het arrest
B en D/Duitslandgestelde vereisten (
onderdeel 1.a). Meer in het bijzonder miskent het hof dat de
bevoegde autoriteitgehouden is alle omstandigheden mee te wegen. Het 1F-beleid noopt de bevoegde autoriteit er niet (per definitie) toe alle verplicht voorgeschreven omstandigheden zelf actief te onderzoeken door die omstandigheden slechts te laten meewegen voor zover die door de vreemdeling worden aangedragen (
onderdeel 1.b). Voorts miskent het hof dat het stelsel niet voldoet aan het vereiste uit het arrest
B en D/Duitslanddat de bevoegde autoriteit de verplichting heeft om
alleomstandigheden te onderzoeken, waaronder
in elk gevalde in dat arrest opgesomde objectieve en subjectieve criteria. Het hof heeft dit miskend omdat de samenvatting van het ambtsbericht door het hof geen andere uitleg toelaat dan dat dat ambtsbericht geen inzicht biedt in deze (subjectieve) gezichtspunten, te weten (i) de rol die een individu daadwerkelijk heeft gespeeld, (ii) of er pressie op een individu is uitgeoefend en (iii) eventuele andere factoren (
onderdeel 1.c).
onderdelen 1.a, 1.b en 1.clenen zich voor een gezamenlijke behandeling. Het hof heeft in de bestreden overwegingen beoordeeld of de Afdeling in de uitspraak in de zaak van [eiser 1] het Unierecht
kennelijkheeft geschonden (zie rov. 3.3, eerste volzin) en geoordeeld dat dit niet het geval is (zoals de procesinleiding onder 18 terecht tot uitgangspunt neemt). De klachten van de onderdelen 1.a-1.c komen erop neer dat het hof het Unierecht, zoals dat luidt volgens het arrest
B en D/Duitsland, heeft miskend en dáárom ten onrechte heeft geoordeeld dat de Afdeling in de uitspraak in de zaak van [eiser 1] het Unierecht niet kennelijk heeft geschonden. De onderdelen 1.a-1.c stellen aldus in de kern aan de orde hoe het arrest
B en D/Duitslandmoet worden begrepen. [50]
Köbler, punt 53), terughoudender van aard is dan de toets of sprake is van schending van het Unierecht. Dat laatste kan reeds volgen uit het oordeel dat het Unierecht anders had moeten worden opgevat dan is gebeurd. Voor een kennelijke schending volstaat echter niet dat de hoogste nationale rechter het Unierecht verkeerd heeft opgevat. [51]
de kennelijke en ernstige miskenning, door een lid-staat (…), van de grenzen waarbinnen diens discretionaire bevoegdheid dient te blijven’. [52] Daarvan is onder meer sprake wanneer “
een schending van het gemeenschapsrecht (...) is blijven bestaan in weerwil (..) van een prejudiciële beslissing of van een vaste rechtspraak van het Hof ter zake, waaruit blijkt dat de betrokken gedraging de kenmerken van een schending vertoont” [53] of, anders gezegd, “
wanneer 's Hofs rechtspraak op het gebied[hier: het arrest
B en D/Duitsland;
AG]
bij het nemen van de betrokken beslissing kennelijk is miskend”. [54]
Köbler-maatstaf dient te beoordelen er niet mee kan volstaan zijn interpretatie van het Unierecht in de plaats te stellen van die van de rechter wiens uitspraak beoordeeld moet worden, maar dient te bezien of het Unierecht kennelijk is geschonden. Indien de beoordelende rechter meent dat de rechter wiens uitspraak beoordeeld wordt niet van een onjuiste lezing van het Unierecht is uitgegaan, kan hij dat in zijn oordeel tot uitdrukking brengen. In dat oordeel ligt dan besloten dat geen sprake is van een schending, en dus ook niet van een kennelijke schending, van het Unierecht.
B en D/Duitslanden dat het hof in deze zaak slechts diende te toetsen of de rechtspraak van de Afdeling op dit punt blijk geeft van een
kennelijkemiskenning van dat arrest van het HvJ. Ik zal bij de bespreking van de onderdelen 1.a-1c daarom eerst verwijzen naar de rechtspraak van de Afdeling en het door het middel bestreden oordeel van het hof, om vervolgens tegen die achtergrond de onderdelen 1.a-1.c bespreken.
B en D/Duitsland(punt 98) dat, uitgaande van de beschrijving van de KhAD/WAD in het ambtsbericht, het in beginsel aannemen dat ten aanzien van onderofficieren en officieren van de KhAD/WAD sprake is van 'personal and knowing participation' verenigbaar is met artikel 12, tweede lid, van de Definitierichtlijn; en
B en D/Duitslandde bevoegde autoriteit is belast met het bewijs dat zich een in art. 1F/12 lid 2 Definitierichtlijn bedoeld geval voordoet en, voorts, dat daarmee verenigbaar is dat dit op basis van het ambtsbericht in beginsel wordt aangenomen.
B en D/Duitsland, mij niet onjuist voor. De onderdelen 1.a-1.c die in de kern aan de orde stellen hoe het arrest
B en D/Duitslandmoet worden begrepen, stuiten hierop af.
B en D/Duitslandeen specifieke bewijsregel bevat dat de bewijslast dat zich feiten en omstandigheden voordoen die maken dat de vreemdeling art. 1F tegengeworpen kan worden, rust op de bevoegde autoriteit.
B en D/Duitslandeen bewijsregel bevat als bedoeld in dat onderdeel. In deze zaak is immers uitgangspunt dat de bewijslast van de omstandigheden die toepassing van art. 1F meebrengen op de bevoegde autoriteit rust. Het hof bespreekt de eerder (in 6.9.2) bedoelde kwestie van verdeling en waardering van het bewijs.
niet [is] gebleken dat de vreemdeling beperkt is in zijn mogelijkheden de juistheid of volledigheid van het ambtsbericht dan wel de conclusies die daaruit ten aanzien van zijn positie in de KhAD/WAD worden getrokken aan te vechten(…)” Het middel wijst hiertoe op stellingen van [eisers] die erop neerkomen dat in de praktijk (vrijwel) nooit een ‘significante uitzondering’ als bedoeld in de Notitie wordt aangenomen.
kennelijkheeft geschonden.”
acte clairof van een
acte eclairé.
B en D/Duitsland.
B en D/Duitslanden voorts in het licht van de hiervoor genoemde stellingen van [eisers]
Köblerkan opleveren. Uit HR 21 december 2018, ECLI:NL:HR:2018:2396 (
Verkeersvliegers/Staat), rov. 3.3.6 volgt dat de enkele stelling dat de rechter zijn uit art. 267, derde alinea, VWEU voortvloeiende verplichting niet is nagekomen, niet volstaat om aansprakelijkheid volgens het arrest
Köblerte vestigen.
B en D/Duitsland. Het was niet nodig dat het hof daarbij nog nader zou specificeren op welke in de rechtspraak van het HvJ toegelaten uitzondering op de plicht om een prejudiciële vraag te stellen −
acte clairdan wel
acte eclairé− dit oordeel van de Afdeling berustte.
Köbler-arrest dat sprake moet zijn van een kennelijke miskenning van de rechtspraak van het HvJ, kon het hof oordelen dat bij die stand van zaken op de Afdeling geen verplichting tot het stellen van prejudiciële vragen rustte. [59] Dit oordeel in rov. 3.7 dient mede te worden gelezen tegen de achtergrond van het oordeel in rov. 3.6, dat het ambtsbericht meebrengt dat de situatie van de (onder)officieren van de KhAD/WAD wezenlijk verschilt van die welke aan de orde was in het arrest
B en D/Duitsland, omdat het ambtsbericht concludeert dat al deze personen betrokken waren bij schendingen van mensenrechten. [60] Om dezelfde reden behoefde het hof niet te oordelen dat de Afdeling een prejudiciële vraag had dienen te stellen in het licht van de door [eisers] genoemde Oostenrijkse, Duitse en Zweedse rechtspraak. [61]
Köbler-maatstaf geoordeeld dat deze in de zaak van [eiser 1] veronderstellenderwijs toegepaste rechtspraak van de Afdeling geen blijk geeft van een kennelijke schending van het Unierecht. Er rijzen geen vragen over de in deze zaak toepasselijke
Köbler-maatstaf.