Conclusie
condicio cine qua non-verband tussen deze overtreding en de door [eisers] geleden schade groot € 562.704,-.
2.Bespreking van het cassatieberoep
Inleiding
andereonrechtmatige gedragingen van [verweerder] – schending van een bijzondere zorgplicht of waarschuwingsplicht of het doen van onjuiste of misleidende mededelingen over het product van [A] of een combinatie van die factoren – mist het feitelijke grondslag. Andere grondslagen voor onrechtmatig handelen dan zonder vergunning beleggingsadvies verstrekken heeft het hof (in lijn met het partijdebat in feitelijke instanties) immers niet vastgesteld.
condicio cine qua non-verband tussen genoemde overtreding van het verbod van art. 2:96 Wft Pro en de door [eisers] geleden schade die wordt vastgesteld op € 562.704,-.
andereonrechtmatige gedragingen van [verweerder], zoals schending van een zorgplicht of waarschuwingsplicht of het doen van onjuiste of misleidende mededelingen over het product van [A] of een combinatie daarvan.
daarnade klachten worden geformuleerd), mist deze feitelijke grondslag. De betreffende overweging ziet op de vestiging van de aansprakelijkheid voor de geleden schade, niet op de omvang van de aansprakelijkheid van [verweerder] daarvoor, die in rov. 2.16 wordt beoordeeld door het hof.
“Gesteld noch gebleken is dat [verweerder] enige invloed heeft gehad op de beslissing van [eisers] om hun inleg zo drastisch te verhogen
”heeft miskend dat [verweerder] wel degelijk invloed heeft gehad op de beslissing van [eisers] om hun inleg zo drastisch te verhogen: hij was de accountmanager, had ze in de waan gebracht dat het ging om een ‘verzekerd product’ en heeft ze op geen enkele wijze gewaarschuwd omtrent de aard en de risico’s van dit product en tegen het aldus te veel inleggen; althans is hier sprake van een motiveringsgebrek. In dat verband zou het hof het volgende hebben miskend:
wervingvan [eisers] volgt niet (zonder meer) dat hij ook invloed heeft gehad op de beslissing van [eisers] om
nadien5 ton meer in te leggen. Van miskenning of onbegrijpelijkheid lijkt mij hier zodoende geen sprake. Het hof heeft in rov. 2.14 wel overwogen dat [eisers] hebben verklaard dat zij begrepen hadden dat het hier om een ‘verzekerd’ product zou gaan, maar niet is geoordeeld dat zij door toedoen van [verweerder] in die veronderstelling zijn gebracht, zodat dit deel van de klacht feitelijke grondslag mist.
condicio sine qua nongevolgd door de redelijke toerekening van art. 6:98 BW Pro zonder klachten, dat het hof in rov. 2.16 heeft miskend dat bij de vraag of de schade in zodanig verband staat met de gebeurtenis waarop de aansprakelijkheid berust dat zij als gevolg daarvan aan de schuldenaar kan worden toegerekend, alle omstandigheden van het geval moeten worden betrokken. Verder kan volgens het subonderdeel het oordeel dat met uitzondering van de € 32.500,- en de op 23 januari 2008 “overeengekomen” €100.000,- de schade niet als zijnde het gevolg van het handelen van [verweerder] aan hem kan worden toegerekend niet in stand blijven, omdat dit oordeel onjuist, althans onvoldoende (begrijpelijk) gemotiveerd is (procesinleiding 2.1-III slot). Deze algemene klachten worden uitgewerkt in drie nadere klachten (sub i t/m iii).
sub i) houdt in dat het hof heeft miskend dat er wel degelijk ook invloed is geweest van [verweerder] op de inzetverhogingen door [eisers]
.Dit is niet anders uitgewerkt dan door een enkele verwijzing naar onderdelen 2.1-I en 2.1-II. Dat is een herhaling van zetten die afketst op de bespreking van de klachten uit de vorige subonderdelen, zodat deze klacht faalt.
sub ii) is dat het hof in rov. 2.16 heeft miskend of althans niet kenbaar rekening heeft gehouden met hetgeen in de laatste acht volzinnen van rov. 2.14 is overwogen (hiervoor weergegeven in 1.25). Voor de vraag of de gehele schade aan het onrechtmatige handelen van [verweerder] kan worden toegerekend is volgens de klacht nu juist cruciaal dat het hof vaststelt dat de verhoging van de investering van één naar zes ton is gebeurd in de veronderstelling dat het om een ‘verzekerd’ product ging. Door een dergelijke cruciale omstandigheid weg te laten, althans niet kenbaar mee te wegen, heeft het hof miskend dat voor toerekening alle omstandigheden van het geval moeten worden betrokken, althans zijn oordeel onvoldoende (begrijpelijk) gemotiveerd. Het subonderdeel stelt vervolgens:
condicio sine qua non-verband en de toerekening en is het heel wel mogelijk dat geen volledige toerekening plaatsvindt gelet op alle omstandigheden van het geval. Dat, huiselijk gezegd, er zodoende verschil in omvang kan bestaan tussen het bedrag uit rov. 2.14 en dat in rov. 2.16 verbaast om die reden al niet.
sub iii) stelt dat het hof in rov. 2.16 als in zijn beoordeling te betrekken omstandigheid
de bijzondere zorgplichtheeft miskend die een beleggingsadviseur jegens consumenten als [eisers] in acht heeft te nemen, waaronder ook valt een zorgplicht die naar zijn aard tot strekking heeft de cliënt te beschermen tegen het gevaar van eigen lichtvaardigheid of gebrek aan inzicht, en dat daarom, zo dit gevaar zich verwezenlijkt, bij de toepassing van art. 6:101 BW Pro fouten van de cliënt die uit die lichtvaardigheid of dat gebrek aan inzicht voortvloeien, in beginsel minder zwaar wegen dan fouten aan de zijde van de professional waardoor deze in die zorgplicht is tekortgeschoten [19] , hetgeen volgens de klacht ook volgt uit het arrest
[...]/Dexia [20] .In dit verband wijst de klacht verder op het arrest
Rentederivaten [21] .
“dat alle betalingen zijn gedaan onder vigeur van de mededeling van [verweerder] dat het om een ‘verzekerde’ belegging zou gaan”,maar vervolgens in rov 2.16 heeft miskend dat op [verweerder] als adviseur of bemiddelaar van financiële producten [22] een vergaande zorgplicht rustte op grond waarvan hij [eisers] juist
“tegen zichzelf in[naar ik begrijp: bescherming]
had moeten nemen” [23] . Ook vanuit die optiek getuigt het volgens de klacht van een onjuiste rechtsopvatting dat het hof veruit het grootste deel van de door [eisers] als gevolg van de advisering van [verweerder] [24] als zijnde ‘verzekerde’ beleggingen geleden schade voor rekening en risico van [eisers] laat en niet aan [verweerder] als beleggingsadviseur zonder vergunning [25] . Althans is hier sprake van een motiveringsgebrek.
condicio sine qua non-verband voor 100% moet worden toegerekend aan [verweerder] (in rov 2.13 en 2.14). In dat verband is volgens de klacht onjuist althans onbegrijpelijk, want innerlijk tegenstrijdig dat het hof dit c.s.q.n. verband weer terug neemt voor wat betreft de verhoogde inleg door te oordelen dat [verweerder] alleen betrokken is geweest bij de beslissing over de eerste € 100.000,- en van belang acht dat de verhoging uit eigen beweging door [eisers] tot stand is gekomen en te oordelen dat gesteld noch gebleken is dat [verweerder] enige invloed had zodat deze schade door de verhoging volgens het hof voor rekening van [eisers] moet blijven (in rov. 2.16).
condicio cine qua non-verband tussen de overtreding door [verweerder] van het verbod van art. 2:96 Wft Pro en de door [eisers] geleden schade van € 562.704,- in rov. 2.13-2.14, maar heeft in die rechtsoverwegingen niet ook vastgesteld dat dit voor 100% moet worden toegerekend aan [verweerder]. De klacht miskent het onderscheid tussen vestiging en omvang van de aansprakelijkheid van [verweerder]; de toerekeningsvraag komt pas in rov. 2.16 aan de orde. Van onjuistheid, onbegrijpelijkheid of innerlijke tegenstrijdigheid is geen sprake. De klacht faalt.
condicio sine qua non-verband tussen een dergelijke mededeling door [verweerder] en de door [eisers] geleden schade. Het door het hof in rov. 2.13 en 2.14 vastgestelde
condicio sine qua non-verband ziet alleen op schending van art. 2:96 Wft Pro door [verweerder] met zijn advies op 23 januari 2008 aan [eisers] om met [A] en de Forex-handel in zee te gaan. Dát is de schadeveroorzakende gebeurtenis/aansprakelijkheidsvestiging waar het hof bij zijn verdere beoordeling van het toerekeningsverband en het beroep van [verweerder] op eigen schuld van [eisers] vanuit is gegaan. Daar loopt ook deze klacht op stuk.
.Geklaagd wordt dat het hof deze billijkheidscorrectie dan apart en kenbaar had moeten uitvoeren en motiveren omdat onbegrijpelijk zou zijn waarom de eerste € 100.000,- die worden ingelegd op basis van de mededeling dat het om een verzekerde belegging gaat wel als schade wordt toegekend, maar de als gevolg daarvan onder invloed van dezelfde mededeling gedane verhogingen van de inleg niet.
sub iii). Uit de bespreking van die laatste klacht volgt dat en waarom ook deze derde klacht faalt.
onderdeel 2.2met de louter voortbouwende klacht dat bij het slagen van één van de klachten uit onderdeel 2.1 ook rov. 2.16
voor het overige, 2.19-2.23, 3.1-3.3 en het dictum niet in stand kunnen blijven. Deze klacht deelt in het lot van die voorgaande klachten.