Conclusie
1.Overzicht
Inleiding
Middel 1bestrijdt met rechts- en motiveringsklachten het oordeel van het Hof dat in dit geval geen sprake is van een levering in de zin van de omzetbelasting.
Middel 2bestrijdt het oordeel van het Hof dat, als een levering in aanmerking moet worden genomen voor de omzetbelasting, de vrijstelling van artikel 11(1)i of j Wet OB van toepassing is. Dit oordeel acht de Staatssecretaris onjuist en onbegrijpelijk.
2.Is de overdracht van het complex een levering in de zin van de omzetbelasting?
Safevoorts dat als de levering afhankelijk zou zijn van het nationale (civiele) recht, de harmonisatiedoelstelling van het btw-stelsel in gevaar zou komen. [10] Het HvJ sluit af met de overweging dat het aan de nationale rechter staat van geval tot geval aan de hand van de feitelijke omstandigheden te bepalen of “als een eigenaar” wordt gehandeld.
Auto Lease Holland [11] .In die zaak kon een lessee met een door de leasemaatschappij ter beschikking gestelde betaalkaart zijn geleaste auto voltanken op naam en voor rekening van de leasemaatschappij. Elke maand betaalde de lessee een voorschot aan de leasemaatschappij en aan het einde van het jaar werd het werkelijke verbruik afgerekend. Aan de orde was de vraag of de leasemaatschappij een levering van benzine verricht aan de lessee. In dat kader onderzoekt het HvJ de vraag of het benzinestation de getankte brandstof levert aan de leasemaatschappij of rechtstreeks aan de lessee. Het HvJ oordeelt dat de brandstof niet door tussenkomst van de leasemaatschappij aan de lessee wordt geleverd:
dat hij heeft besloten dit vertrek volledig voor zijn bedrijf te bestemmen. Aldus blijkt dat de belanghebbende in feite als eigenaar over dit vertrek beschikt en dus voldoet aan de voorwaarde die uit de in punt 64 van het onderhavige arrest vermelde rechtspraak voorvloeit.”
Vega International Car Transport and Logistic [13] (cursivering CE):
de beslissingen daaromtrent staan uitsluitend aan haarzelf. Vega Poland beslist onder meer hoe zij de brandstof koopt: zij kiest bij welke benzinestations van de door Vega International aangewezen leveranciers zij tankt en beslist vrij over de kwaliteit, de hoeveelheid, het soort brandstof, het tijdstip van de aankoop en de gebruikswijze van de brandstof (zie in die zin arrest van 16 april 2015, Wojskowa Agencja Mieszkaniowa w Warszawie, C-042/14, EU:C:2015:229, punt 26).”
Mydibel [16] . Mydibel is eigenaar van een aantal gebouwen (zijnde investeringsgoederen). De btw op bouw-, verbouwings- en renovatiekosten heeft zij in eerste instantie volledig in aftrek gebracht. De gebouwen, die zijn verdeeld in twee percelen, zijn op een later moment voorwerp van niet aan btw onderworpen sale-and-leaseback-transacties. [17] Deze transacties bestaan elk uit een 99-jarig recht van erfpacht ten gunste van twee financiële instellingen tegen betaling van een onmiddellijke vergoeding van respectievelijk € 9,63 mio voor het eerste perceel en € 2,7 mio voor het tweede. Voorts heeft zij met diezelfde financiële instellingen een leaseovereenkomst gesloten die Mydibel direct aansluitend voor een niet opzegbare periode van vijftien jaar het recht geeft van gebruik van de percelen. De huur komt – afgezien van de jaarlijkse erfpachtcanon van € 25 per jaar – overeen met de bedongen vergoedingen voor de vestiging van het erfpachtrecht, vermeerderd met rente. Na afloop van de leaseovereenkomst heeft Mydibel een aankoopoptie voor een prijs die gelijk is aan 10 % respectievelijk 3 % van die vergoedingen.
In deze omstandigheden kunnen deze transacties niet als „leveringen van goederen” worden aangemerkt aangezien rechten die als gevolg van deze transacties aan de financiële instellingen in het hoofdgeding zijn overgedragen – namelijk de privaatrechtelijke rechten van erfpacht belast met Mydibels rechten uit de onroerende leasing – deze instellingen niet machtigen om als eigenaren over het in het hoofdgeding aan de orde gestelde vastgoed te beschikken.”
Mydibelgeoordeeld dat herziening achterwege moet blijven (en geen levering als bedoeld in artikel 188(1) Btw-richtlijn plaatsvindt). [20] Volgens het HvJ verandert door de sale-and-leaseback-transactie de facto niets aan het gebruik van de panden.
Mydibelgaat in mijn visie vooral over de gevolgen van een ‘erfpacht-and-leaseback-transactie’ voor de herzieningsregeling en brengt niet met zich dat elke sale-and-leaseback-transactie voortaan als één prestatie moet worden beschouwd. Van geval tot geval zal moeten worden beoordeeld of een sale-and-leaseback-transactie tot gevolg heeft dat de macht om als een eigenaar over het goed te beschikken is overgedragen. [21] Een andersluidende conclusie zou ook moeilijk te rijmen zijn met arresten als
A Oy [22] en
Centralan Property [23] en had dan denkelijk ook tot een andere uitkomst moeten leiden in
Waterschap Zeeuws Vlaanderen [24] .
Naar redelijkerwijs niet voor twijfel vatbaar is dient daarbij te worden uitgegaan van de rechtsbetrekking tussen de betrokken partijen, die direct verband houdt met de desbetreffende zaak.Het Hof heeft zijn oordeel dat belanghebbende niet de macht om als een eigenaar over de RWZI te beschikken aan de stichting heeft overgedragen echter niet gebaseerd op hetgeen de betrokken partijen zijn overeengekomen met betrekking tot de RWZI, maar - in hoofdzaak - op het bepaalde in de statuten van de stichting en mede op de omstandigheden dat het ontgaan van omzetbelasting de enige reden is geweest voor het verrichten van de hiervóór in 3.1.3 tot en met 3.1.6 genoemde rechtshandelingen, dat de vijf, door belanghebbende benoemde, bestuursleden van de stichting in loondienst zijn bij belanghebbende en dat het voor de RWZI werkzame personeel vóór en na 30 december 1994 in loondienst is geweest bij belanghebbende. Het middel is in zoverre derhalve gegrond en behoeft voor het overige geen behandeling. (...)”
Gemeente Woerden [29] overwoog de Hoge Raad in dit verband:
Gemeente Gemert-Bakel [30] herhaalt de Hoge Raad de overweging dat bij de beoordeling of sprake is van een levering moet worden uitgegaan van de rechtsbetrekking tussen de betrokken partijen, die direct verband houdt met de desbetreffende zaak. In de zaak die tot dat arrest heeft geleid werd de rechtsbetrekking tussen partijen mede bepaald door bepalingen uit de Wet op het voortgezet onderwijs (WVO). In deze en andere scholenconstructiearresten [31] ging het (onder meer) om de vraag of een levering tot stand komt bij de overdracht van een schoolgebouw aan het bevoegd gezag. Gemeenten zijn op grond van de Wet op het primair onderwijs (WPO) en WVO verantwoordelijk voor de scholenhuisvesting. Uit deze wettelijke regelingen vloeien beperkingen voort die aan het bevoegd gezag worden opgelegd. [32] Zo bepaalt artikel 76q WVO dat zonder toestemming van het college van burgemeester en wethouders het bevoegd gezag een school(gebouw) niet kan vervreemden of bezwaren met een zakelijk recht, op straffe van nietigheid. Evenmin mag het gebouw zonder toestemming van het college worden verhuurd, ook op straffe van nietigheid (artikel 76s WVO). Op grond van artikel 76u WVO verkrijgt de gemeente de eigendom van een schoolgebouw om niet indien het bevoegd gezag niet langer het gebouw voor de school gebruikt.
Gemeente Gemert-Bakelheeft de Hoge Raad beslist dat de levering van het betrokken schoolgebouw aan het bevoegde gezag een levering is in de zin van de omzetbelasting. [33] Anders dan het gerechtshof had geoordeeld, staan de beperkingen uit de WVO die worden opgelegd aan de koper hieraan niet in de weg, aldus de Hoge Raad. Hetzelfde geldt voor een overeengekomen terugkoopoptie die inhoudt dat de koper bij een voorgenomen gehele of gedeeltelijke verkoop of verlening van een beperkt gebruiksrecht verplicht is het schoolgebouw eerst aan de belanghebbende aan te bieden tegen betaling van de oorspronkelijke koopprijs. Als de belanghebbende geen gebruik maakt van de terugkoopoptie en de koper het gebouw aan een derde overdraagt, komt het verschil tussen de van die derde ontvangen verkoopprijs en de optieprijs geheel aan de belanghebbende toe. Deze terugkoopoptie brengt geen onbevoegdheid tot vervreemding mee of een bevoegdheid voor de gemeente om de eigendom aan zich te trekken, aldus de Hoge Raad. De Hoge Raad overweegt als volgt (cursivering CE): [34]
aangezien deze optie voor de Stichting geen onbevoegdheid tot vervreemding meebrengt of een bevoegdheid voor de gemeente om de eigendom aan zich te trekken.Middel 1 slaagt derhalve.”
Gemeente Gemert-Bakelopnamen in het koopcontract. Een wettelijke beperking van de vervreemdingsbevoegdheid op straffe van nietigheid – zoals artikel 76q(2) WVO – levert mijns inziens een sterkere aanwijzing op dat geen levering tot stand komt, omdat het gevolg van nietigheid is dat de beoogde rechtshandeling niet tot stand komt. [38] Dit kon echter in dat geval niet voorkomen dat de macht om als een eigenaar te beschikken was overgegaan, omdat die bepaling naar het oordeel van de Hoge Raad geen betekenis heeft zolang een gebouw bestemd blijft voor het geven van onderwijs (zie het citaat onderdeel 2.24).
Mercedes-Benz Financial Services [40] omdat de overeenkomsten niet voldoen aan het bepaalde in artikel 14(2)b Btw-richtlijn (levering krachtens huurkoop). [41]
Middel 1slaagt dus. Dit brengt mee dat wordt toegekomen aan de vraag of de overdracht van het complex moet worden aangemerkt als de overgang van een geheel of een gedeelte van een algemeenheid van goederen. Die vraag behandel ik in hoofdstuk 3. De gegrondheid van het middel leidt slechts tot cassatie indien deze vraag ontkennend moet worden beantwoord.
Paulo Nascimento [43] . In dit arrest ging het om een cessie van een schuldvordering waarbij ook de procedurele positie met het oog op de gedwongen inning van een schuldvordering werd overgedragen. Het HvJ oordeelde als volgt:
3.Algemeenheid van goederen
Inleiding
Zita Modes [46] heeft het HvJ beslist dat daaronder moet worden verstaan:
Zita Modesheeft het HvJ voorts overwogen dat (de voorloper van) artikel 19 Btw Pro-richtlijn geen uitdrukkelijke voorwaarde inzake het gebruik door de verkrijger oplegt. [48] Uit de strekking van de bepaling blijkt volgens het HvJ dat de richtlijnbepaling ziet op overdrachten waarbij de verkrijger de bedoeling heeft de onderneming te exploiteren, en niet de betrokken activiteit zonder meer te vereffenen. [49]
Zita Modesen herhaalt het HvJ in
Christel Schriever [50] . In
Christel Schrieveroverweegt het HvJ dat slechts sprake is van een overdracht van een handelszaak of van een autonoom bedrijfsonderdeel als bedoeld in artikel 19 Btw Pro-richtlijn, indien het geheel van de overgedragen onderdelen volstaat om een autonome economische activiteit te kunnen voortzetten. [51] Het Hof verwijst in dit verband onder meer naar punt 40 van
Zita Modes(zie het citaat in onderdeel 3.5 van deze conclusie) waarin het HvJ verwoordt dat “de verkoop van goederen zonder meer” niet onder voornoemde richtlijnbepaling valt. Voorts overweegt het HvJ in
Christel Schriever: [52]
Zita Modes. Uit dat arrest leidt hij af dat het HvJ het object centraal stelt (cursivering CE): [55]
vanuit functioneel oogpunt zelfstandig een autonome economische activiteit uit te oefenen. Wanneer ik in dit verband spreek van alle noodzakelijke elementen om vanuit functioneel oogpunt een autonome economische activiteit uit te oefenen, dan bedoel ik dat de overgedragen bundel lichamelijke en onlichamelijke zaken op zichzelf, zonder toevoeging of gebruikmaking van andere essentiële activa, op eigen kracht kan functioneren als btw-onderneming.
Zita Modesen zet hij
Christel Schrieveral te gemakkelijk opzij. Uit een arrest van de Hoge Raad van 28 september 2018 [56] , dat enkele maanden na de uitspraak van de Rechtbank is gewezen, leid ik af dat de Hoge Raad deze ‘objectbenadering’ niet onderschrijft. [57] In ieder geval wordt daaruit duidelijk dat het uitgangspunt van de Rechtbank dat enkel van belang is of het complex “blijvend voorwerp is van een als autonoom gedeelte van een onderneming aan te merken exploitatie” niet juist is. De zaak die tot dat arrest heeft geleid betrof een verkoop van machines en installaties die voorafgaand aan de verkoop waren verhuurd aan telers. Na de verkoop is de koper nieuwe huurovereenkomsten met de telers aangegaan. De goederen bleven wel in gebruik bij de telers. De Hoge Raad overweegt als volgt (cursivering CE):
Door te volstaan met het oordeel dat de machines zowel vóór als na de overdracht, dus zowel bij de coöperatie als bij belanghebbende, blijvend voorwerp zijn van een als autonoom gedeelte van een onderneming aan te merken exploitatie in de vorm van verhuur aan de telers, getuigt het oordeel van het Hof van een onjuiste rechtsopvatting. Het Hof heeft bij zijn beoordeling immers niet tot uitgangspunt genomen dat de aard van de door de coöperatie uitgeoefende verhuur aan de telers ongewijzigd moet zijn gebleven.De middelen 1 en 2 slagen derhalve.”
Zita Modesgeldende nationale jurisprudentie kon de levering van een dergelijke zaak niet worden beschouwd als een levering in de zin van (de voorloper van) artikel 37d Wet OB.
Zita Modesvormde voor de Hoge Raad aanleiding om ‘om’ te gaan. [58] De zaak die tot het desbetreffende arrest van de Hoge Raad van 6 juni 2008 heeft geleid, betrof de levering van een gebouw met acht volledig zelfstandig te gebruiken units die de belanghebbende elk afzonderlijk verhuurde aan derden. De koper zette de exploitatie van het gebouw ongewijzigd voort. De Hoge Raad overwoog onder meer:
Zita Modesen het hiervoor genoemde arrest van de Hoge Raad uit 2008, zonder twijfel als een algemeenheid van goederen moeten worden aangemerkt. De overdracht van een dergelijke zaak behelst in beginsel namelijk niet enkel de overdracht van een goed (of in dit geval goederen, te weten de appartementsrechten), maar de overdracht van het goed met huurovereenkomsten. Ervan uitgaande dat de Stichting de ruimten tegen een niet-symbolische vergoeding ter beschikking heeft gesteld van de derden, wordt immers een autonome economische activiteit uitgeoefend, te weten de exploitatie van de ruimten. De omstandigheid dat een zestal bedrijfsruimten op het tijdstip van de levering nog niet zijn verhuurd, doet daaraan niet af, aannemende dat voor de niet verhuurde gedeelten een met objectieve gegevens te ondersteunen voornemen bestaat om ook die gedeelten te exploiteren. [62]