Conclusie
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
CONCLUSIE
eerste middelklaagt dat het hof in strijd met de wet heeft geoordeeld dat sprake is van een situatie waarin een ongemaximeerde terbeschikkingstelling in de zin van art. 38e, eerste lid, Sr kan worden opgelegd, althans dat dit oordeel onvoldoende is gemotiveerd.
Gemaximeerde TBS met dwangverpleging
Stb. 1994, 13) gekozen voor “een misdrijf dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen” (daarover meer in de randnummers 12 en 15). Het aldus geformuleerde criterium wil geen misverstand erover laten bestaan dat na ommekomst van de periode van vier jaar verlenging ook mogelijk is ten aanzien van misdrijven waarvan geweld geen (expliciet) bestanddeel is van de wettelijke delictsomschrijving maar die feitelijk wel gepleegd kunnen worden door middel van gedragingen die gericht zijn tegen of gevaar veroorzaken voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een ander. Zo zijn bijvoorbeeld belaging (art. 285b Sr) en bedreiging (art. 285 Sr Pro) niet zonder meer te karakteriseren als een misdrijf in de zin van art. 38e, eerste lid, Sr en art. 359, zevende lid, Sv, maar kan de vaststelling van nadere feiten en omstandigheden ten aanzien van de gedragingen van de verdachte wel tot zo een karakterisering leiden. [6]
Kamerstukken II1992/93, 22 909, nr. 3 (pagina 8) volgt dat het de bedoeling van de wetgever is geweest om naast de artikelen 242 en 246 Sr, ook de artikelen 243, 244, 245, 247, 248ter (bij wet van 28 oktober 1999 opgegaan in artikel 248a), 249, 250, eerste lid, aanhef en onder 1°, 250, eerste lid, aanhef en onder 2°, en tweede lid, Sr na vier jaar voor verlenging van de TBS met dwangverpleging in aanmerking te laten komen. Daaruit leidt het hof af dat de titel waaronder de zedendelicten vallen grotendeels onder de reikwijdte van het begrip ‘geweldsmisdrijf’ als vorenbedoeld wordt gebracht. Dat art. 248e Sr in die opsomming niet wordt genoemd, kan volgens het hof worden verklaard uit het feit dat dit artikel pas is ingevoerd bij de wet van 26 november 2009.
Stb. 1994, 13). Deze memorie van toelichting (verder: de MvT), die door de Hoge Raad uitvoerig is geciteerd in zijn arrest van 12 februari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY8434,
NJ2013/161, m.nt. Van Kempen (rov. 3.2), signaleerde het ontbreken van een definitie van het begrip ‘geweldsmisdrijf’ en de vragen die in de praktijk waren gerezen omtrent het gemaakte onderscheid tussen misdrijven waarin ‘geweld’ expliciet als delictsbestanddeel was opgenomen en misdrijven waarin zulks niet het geval was. Voor zover hier van belang, houdt de door het hof aangehaalde MvT in (p. 6-8):
Stb. 1999, 464) is art. 248ter Sr inhoudelijk ongewijzigd vervangen door art. 248a Sr. [12] Het bevreemdt dan ook niet dat uit de Kamerstukken bij (kort gezegd) deze wet [13] niet blijkt dat daarmee is bedoeld een andere betekenis aan de wettekst te geven. Dat art. 248a Sr in de voormelde
Kamerstukken II1992/93, 22 909 niet wordt genoemd mag dan op zichzelf juist zijn, dit neemt niet weg dat het hof op goede gronden heeft vastgesteld dat het in de
Kamerstukken II1992/93, 22 909, nr. 3 wél genoemde art. 248ter (oud) Sr is opgegaan in art. 248a Sr. Dat brengt mee dat het bepaalde in art. 248a Sr door de wetgever wel degelijk is gekwalificeerd als een geweldsmisdrijf in de zin van art. 38e, eerste lid, Sr en dat in zoverre gezegd kan worden dat de klacht feitelijke grondslag mist. Voor zover het middel de deelklacht bevat dat art. 248a Sr een strafmaximum van drie jaren kent, mist het eveneens feitelijke grondslag.
met hemte plegen” (cursivering door mij, EH). Dat gold vervolgens ook voor art. 248a Sr, toen het art. 248ter (oud) Sr in 1999 verving. In 2002 zijn de woorden “met hem” in het eerste lid van art. 248a Sr vervallen. [14] In Noyon/Langemeijer/Remmelink schrijft Machielse daarover (hier met weglating van verwijzingen):
zichzelf(feit 1) en hij een andere minderjarige dit bij
zichzelfheeft willen laten doen (feit 2)?
metde verdachte. De verdachte heeft daardoor niet alleen de psychische, maar ook de fysieke integriteit van het slachtoffer geschonden. Op grond van die, mede op de bewijsvoering gegronde, vaststellingen heeft het hof geoordeeld dat de bewezenverklaarde misleiding tot ontuchtige handelingen een gedraging is die in casu heeft geleid tot een schending van de onaantastbaarheid van het lichaam van [slachtoffer 1] . Tegen deze achtergrond en in overeenstemming daarmee heeft het hof met betrekking tot de bewezenverklaarde poging tot het plegen van ontuchtige handelingen (feit 2) geoordeeld dat de gedragingen van de verdachte (tevens) een gevaar veroorzaakten voor de onaantastbaarheid van het lichaam van [slachtoffer 2] .
opleggingvan TBS is voldaan. Art. 37a, eerste lid, onder 1° (oud) Sr luidt immers dat de betrokken verdachte op last van de rechter ter beschikking kan worden gesteld indien het door hem begane feit een misdrijf is waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van vier jaren of meer is gesteld dan wel behoort tot een van de in dat lid onder 1° genoemde misdrijven. Art. 248e Sr is echter een misdrijf waarop een gevangenisstraf van ten hoogste twee jaren is gesteld en is niet een van de in art. 37a, eerste lid onder 1° aangehaalde misdrijven. Art. 38e, eerste lid, Sr komt in dit verband niet in het vizier reeds om de eenvoudige reden dat naar aanleiding van grooming geen TBS kan worden opgelegd. In cassatie wordt daarover niet geklaagd. Maar ook als dat wel het geval zou zijn geweest, had de steller van het middel daarmee zijn doel niet bereikt nu de TBS mede is opgelegd is naar aanleiding van de delicten als omschreven in art. 248a Sr.
tweede middelklaagt dat de redelijke termijn in de zin van art. 6, eerste lid, EVRM is overschreden doordat het hof heeft verzuimd de stukken van het geding binnen een redelijke termijn aan de Hoge Raad toe te zenden.