Conclusie
Nummer19/00558
Bewezenverklaring, bewijsoverweging, art. 341 Sr Pro
BFK: hij) feitelijke leiding heeft gegeven aan door een rechtspersoon verrichte verboden gedragingen, in dit geval het plegen van bedrieglijke bankbreuk.
BFK: heeft) gewezen op het ontbreken van kasgeldstortingen ter hoogte van in totaal circa € 168.000,00 en de gevolgen daarvan voor [A] B.V: “Dan moet mij ook even van het hart dat er vanaf 25 januari 2010 tm 04 mei 2010 totaal 168000 euro kontant is ontvangen door jullie en dat hiervan 500 euro op de rabobank is gestort. Jullie weten niet waar het gebleven is, maar ik moet het wel inboeken. Ik weet echt niet meer hoe ik dat moet doen.” [55]
BFK: 2010) in de boedel van [B] B.V. is gekomen, dat deze - nadat die blijkbaar eerst in de boedel van [A] BVBA is ingebracht - is doorverkocht aan [betrokkene 3] , die daarvoor heeft betaald nadat hij op zijn beurt de partij ruiterkleding zou hebben verkocht, maar dat zulks door verdachte [verdachte] niet aan de curator is gecommuniceerd, hetgeen betekent dat de partij ruiterkleding is onttrokken aan de boedel van [B] B.V,.
NJ2020/156, m.nt. Jörg is aan Uw Raad de vraag voorgelegd of, met het oog op de toepasselijkheid van art. 1, tweede lid, Sr, deze wetswijziging voortvloeit uit een verandering van inzicht van de wetgever omtrent de strafwaardigheid van het vóór de wetswijziging begane strafbare feit, nu de wet zelf niet in overgangsrecht voorziet. Uw Raad oordeelde dat ‘de enkele omstandigheid dat een rechtspersoon thans geen normadressaat is van de strafbaarstelling van art. 341, eerste lid onder 1°, Sr geen blijk (geeft) van een gewijzigd inzicht in de strafwaardigheid van het feitelijke leiding geven aan’ – kort gezegd – bedrieglijke bankbreuk door een rechtspersoon. [80]
Het eerste middel
eerstemiddel richt zich, mede gelet op de toelichting daarop, tegen de motivering van de bewezenverklaring van feit 2. In het bijzonder wordt geklaagd dat uit de gebezigde bewijsmiddelen niet kan volgen dat de verdachte opzet had op de bedrieglijke verkorting van de rechten van de schuldeisers van de vennootschap [B] B.V. door een partij ruiterkleding aan de boedel van [B] B.V. te onttrekken, althans dat het oordeel dat de verdachte dit opzet had - en dat zich een dergelijke verkorting van de rechten van de schuldeisers van [B] B.V. heeft voorgedaan - zonder nadere motivering, die ontbreekt, niet begrijpelijk is.
Onttrekken ruiterkleding aan boedel [B]
Het tweede middel
tweedemiddel klaagt, ook gelet op de toelichting daarop, over de motivering van de bewezenverklaringen van zowel feit 1 als feit 2. 's Hofs oordeel dat de verdachte feitelijk leiding heeft gegeven aan de verboden gedraging, zou zonder nadere motivering, die ontbreekt, onvoldoende begrijpelijk zijn, mede in aanmerking genomen hetgeen door en namens de verdachte is aangevoerd omtrent zijn feitelijke positie binnen de vennootschappen [A] B.V. en [B] B.V..