Conclusie
de gemeenteen [Verweerster] Holding als
[Verweerster].
A. Juridisch kader
B. Onrechtmatige staatssteun
C. Rechtsgevolgen
1.Feiten
het Terrein). Het Terrein grenst aan meerdere zijden aan woningbouw en, aan de achterzijde, aan de [straat] . Op het Terrein was onder andere een vloerenfabriek. [Verweerster] had op zes andere locaties in Harlingen vestigingen, waaronder de hoofdvestiging in de industriehaven.
[naam b.v.]) hebben vanaf 2003 gesproken over aankoop van het Terrein voor onder andere woningbouw. In verband daarmee hebben [naam b.v.] en de gemeente in februari 2007 een intentieovereenkomst getekend. De bedoeling was dat [naam b.v.] de eigendom van het Terrein zou verwerven en dat [Verweerster] haar vloerenfabriek zou verplaatsen naar de industriehaven.
DLG) over de staatssteunaspecten van de eventuele aankoop van het Terrein door haar zelf. In een memo van 28 mei 2008 heeft de provincie de gemeente daarover het volgende bericht:4
Exploitatie
Waarde economische verkeer
de koopovereenkomst), waarin [Verweerster] als verkoper en de gemeente als koper wordt aangeduid, is – voor zover in cassatie van belang – het volgende bepaald:6
verklaren het navolgende te zijn overeengekomen:
acht miljoen vijfhonderdduizend euro
€ 8.500.000,00).
BEDINGEN
DTZ), eveneens in opdracht van de gemeente, op 1 juni 2012 een taxatierapport uitgebracht over de grondwaarde van het Terrein met als peildatum 23 juni 2009, de datum waarop de koopovereenkomst is gesloten. De onderhandse verkoopwaarde vrij van huur en/of gebruik en ontruimd is door DTZ getaxeerd op € 6.250.000 in de huidige staat en op
2.Procesverloop
de rechtbank). Zij heeft gevorderd, voor zover in cassatie van belang, dat de rechtbank bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:
de Commissie). Meer subsidiair heeft [Verweerster] , voor zover in cassatie nog van belang, in (voorwaardelijke) reconventie gevorderd dat de rechtbank, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:
PbEU2013, L 352/1). Op grond van deze verordening kunnen overheden aan ondernemingen over een periode van drie belastingjaren tot € 200.000 steun verlenen zonder dat aanmelding nodig is. Ten tijde van het verlenen van de steun aan [Verweerster] was Verordening (EG) nr. 1998/2006 de toepasselijke versie van de De-minimisverordening. Daarin was de drempel ook al gesteld op € 200.000.
Bouwrecht2016/30, en door G.J. van Midden, ‘De zaak [Verweerster] : de vermogensrechtelijke nasleep van een steunsaga’,
Juridisch up to Date2016/22.
het hof) in hoger beroep gekomen van het tussenvonnis van 1 juli 2015 en het eindvonnis van 16 december 2015.
het bestreden arrest) heeft het hof beide vonnissen van de rechtbank vernietigd en, opnieuw rechtdoende, de koopovereenkomst geheel nietig verklaard wegens strijd met art. 108 lid 3 VWEU Pro.16
Juridisch kader
Tijdschrift voor Staatssteun2019/2, p. 69-81; G.J. Huith en
Bouwrecht2019/79, p. 563-570, J.W.M. Hagelaars en S. van der Heul,
Gemeentestem2019/94, p. 463-474 en M. Fokkema, ‘Staatssteun te Harlingen: een explosieve kwestie’,
Grondzaken in de praktijk2019/1, p. 12-13.
De betrokken lidstaat kan de voorgenomen maatregelen niet tot uitvoer brengen voordat die procedure tot een eindbeslissing heeft geleid.” Een aanmeldingsplichtige steunmaatregel kan op zichzelf wel worden vastgesteld, maar mag niet in werking treden of anderszins worden uitgevoerd voordat de Commissie deze maatregel heeft beoordeeld. Daartoe is een aanmelding vereist. Steun die niet is aangemeld, is onrechtmatig als zij tot uitvoer is gebracht.17
Klausner Holz).De nationale rechter die een schending van artikel 108 lid 3 van Pro het VWEU vaststelt, is verplicht die schending met toepassing van zijn nationale recht ongedaan te maken. In het licht van deze vergaande verplichting van de nationale rechter komt naar het oordeel van het hof geen betekenis toe aan de omstandigheid dat de gemeente zelf artikel 108 lid 3 VWEU Pro heeft geschonden door de koopovereenkomst niet bij de Commissie aan te (laten) melden, zoals [Verweerster] onder 127 - 143 van haar memorie van grieven betoogt. Het feit dat de instantie die de mogelijke steun heeft verleend een beroep doet op de staatssteunregels is in dit verband niet van belang gelet op het doel van het staatssteunrecht, het opheffen van verstoringen van de mededinging door onrechtmatige steun. Dit doel kan immers evengoed worden gediend door een concurrent als een instantie die de mogelijke steun heeft verleend. Of dit laatste extreem ongebruikelijk en uitzonderlijk is, zoals [Verweerster] stelt en de gemeente betwist, doet dan ook niet ter zake.”
PbEU2015, L 248/9, wordt onder ‘onrechtmatige steun’ verstaan: “
nieuwe steun die in strijd met artikel 108, lid 3, VWEU tot uitvoering wordt gebracht.”
Residex-zaak was de eerste zaak waarin een overheid (in die zaak: de gemeente Rotterdam) zich beriep op schending (door haar zelf) van art. 108 lid 3 VWEU Pro. De rechter zag daarin geen aanleiding om die gemeente een beroep op schending van art. 108 lid 3 VWEU Pro te ontzeggen. Het prejudiciële arrest van het Hof van Justitie in die zaak bevat daarvoor evenmin aanknopingspunten,18terwijl het Unierecht wel adagia erkent als
nemo auditur propriam turpitudinem allegans(niemand kan zich ten aanzien van een ander op zijn eigen onrechtmatig gedrag kan beroepen om een voordeel te verkrijgen),
nemo potest venire contra factum propriumen de Angelsaksische variant daarvan, het
estoppel principle0.19
Residex-zaak lag in dat opzicht wel iets anders dan de onderhavige zaak, omdat de gemeente Rotterdam stelde niet te hebben geweten van afgegeven garanties door de toenmalige directeur van het havenbedrijf, terwijl hier de gemeente van meet af aan betrokkenheid heeft gehad had bij de (beoogde) verkoop. Dat het sinds de
Residex- zaak vaker is voorgekomen dat een decentrale overheid met een beroep op schending van art. 108 lid 3 VWEU Pro van een aangegane verbintenis probeert af te komen is voor het rechtsverkeer mogelijk een minder wenselijke ontwikkeling,20maar geen reden om aan overheden een beroep op die verdragsbepaling te ontzeggen.
NJ2012/124, m.nt. M.R. Mok (
Residex
Residex Capital, C-275/10, ECLI:EU:C:2011:354, punt 80 en voetnoot 53.
Klausner Holz/Land Nordrhein Westfalen,
NJ2016/233, m.nt. B.J. Drijber, is een voorbeeld uit de Europese rechtspraak van een dergelijk beroep van een overheid op het eigen nalaten een steunmaatregel tijdig aan te melden. Een recent voorbeeld uit de nationale rechtspraak is de zaak
Gemeente Zwolle/JC Decauxwaarin die gemeente via de rechter wil afdwingen dat de vergoeding voor een concessie wordt verhoogd. De vorderingen werden onlangs op materiële gronden afgewezen (Rb. Overijssel 5 februari 2020, ECLI:NL:RBOVE:2020:1116). Zie voor andere voorbeelden: M. Fokkema, ‘Staatssteun en de gecontracteerde gebiedsontwikkeling: doeltreffend breek- en nuttig smeedijzer?,
Tijdschrift Aanbestedingsrecht2017/69 en H.C.E.P.J. Janssen, ‘Staatssteun als de doos van Pandora, de zaak Harlingen/ [Verweerster] ’,
Tijdschrift voor Staatssteun2019/2, onder 3 (conclusie): “
Heeft de overheid het staatssteunrecht ontdekt als middel om – soms na jaren – van een onwelgevallige overeenkomst af te komen of er een betere deal uit te slepen?”
Residex).
Residexheeft aangeduid met de woorden ‘bij gebreke van minder en’. Het Hof van Justitie oordeelde dat nietigverklaring van de rechtshandeling waarbij steun is verleend niet door het Unierecht wordt voorgeschreven maar wel een passende manier kan zijn om herstel van de mededingingssituatie van vóór de steunverlening te bewerkstelligen, als dat resultaat niet kan worden bereikt met een minder vergaande sanctie. Met dat laatste bedoelt het Hof van Justitie dat de remedie voor de begunstigde van de steun niet onevenredig mag zijn aan het nagestreefde doel.
Onrechtmatige staatssteun
SFEI e.a./La Poste e.a.).Beslissend daarbij is of een vergelijkbare particuliere economische speler in de gegeven omstandigheden een vergelijkbare koopprijs zou hebben betaald voor het [Verweerster] -terrein. Of de gemeente als redelijk denkend en handelend investeerder op basis van de informatie die haar toen ter beschikking stond
meendeeen marktconforme prijs te betalen, zoals [Verweerster] onder 192 van haar memorie van grieven stelt, doet daarbij niet ter zake.
Europese Commissie tegen Frucona Košice a.s.).De daarop betrekking hebben stellingen van [Verweerster] worden daarom niet verder besproken en het bewijsaanbod onder 205 van de memorie van grieven wordt als niet ter zake dienend gepasseerd.
DTZ per definitie niet het bedrag heeft
Nedalco). Daarvoor is niet nodig dat de onteigeningsprocedure reeds is ingezet. Van doorslaggevend belang is of de betrokken overeenkomst in het kader van een voorzienbare onteigening is gesloten.
Rechtsgevolgen
het aanvullingsarrest) heeft het hof op twee punten waar het niet op de vorderingen had beslist, het bestreden arrest aangevuld: (i) de vordering van [Verweerster] tot uitvoerbaar bij voorraadverklaring en (ii) de uiterst subsidiair en voorwaardelijk ingestelde vordering van de gemeente tot terugbetaling van de koopsom, met rente.21
3.Bespreking van het middel in het incidentele cassatieberoep
eerste onderdeelis onderverdeeld in tien subonderdelen en richt klachten tegen het oordeel van het hof dat sprake is van onrechtmatige staatssteun. Het
tweede onderdeelklaagt dat het hof ten onrechte niet is ingegaan op het betoog van [Verweerster] dat de gemeente de steunmaatregel alsnog bij de Commissie had moeten aanmelden. Ik maak eerst enkele algemene opmerkingen.
doorde overheid wordt in het staatssteunrecht het beginsel van de particuliere investeerder toegepast.22Gekeken moet worden welke prijs voor een (hypothetische) particuliere investeerder die winst nastreeft, aanvaardbaar zou zijn. Dit concept is onder invloed van bedrijfseconomische inzichten geleidelijk aan verfijnd. In haar Mededeling betreffende het begrip staatssteun (hierna:
Mededeling Staatssteun), die dateert uit 2016 en dus van na de feiten van deze zaak, heeft de Commissie uiteengezet op welke wijze de marktconformiteit van een transactie kan worden vastgesteld.23Het laten uitvoeren van een taxatie valt nu onder de restcategorie ‘andere waarderingsmethoden’.24Bepalend is welk rendement kan worden behaald op de investering en of dat rendement past binnen een aan te houden bandbreedte. Het beginsel van de particuliere investeerder is omgedoopt tot ‘het criterium van de marktdeelnemer in een markteconomie’. De Mededeling van de Commissie betreffende staatssteunelementen bij de verkoop van gronden en gebouwen door openbare instanties (hierna:
Mededeling Grondverkoop),25die temporeel van toepassing was toen de koopovereenkomst werd afgesloten, is met de Mededeling Staatssteun komen te vervallen.26
Tijdschrift voor Staatssteun2010(1), p. 15-21.
PbEU2016, C 262/1.
PbEG1997, C 209/3.
Gemeente Leidschendam, een
cause célèbreuit de gemeentelijke staatssteunpraktijk. Zie Gerecht 20 juni 2015, T-186/13 e.a., ECLI:EU:T:2015:447 (
Nederland e.a./Commissie), punt 89 e.v. Het arrest is besproken door N. Saanen, ‘Het arrest Leidschendam: de contextbenadering als toetsingskader voor staatssteun bij gebiedsontwikkeling
’, NTER2015, p. 342-347,
Bouwrecht2015/86 en B.J. Drijber, ‘Gerecht drukt de Commissie met de neus op de feiten’,
Markt & Mededinging2015, p. 190-194.
subonderdeel 1.1ziet op analoge toepassing van de Mededeling Grondverkoop;
subonderdelen 1.2-1.4betogen dat de koopprijs van het Terrein moet worden gezien als een evenredige compensatie voor een voorgenomen onteigening;
subonderdelen 1.5-1.9zien op het oordeel van het hof dat geen sprake is van een marktconforme prijs; en
subonderdeel 1.10bevat een voortbouwklacht. Ik behandel de klachten in volgorde.
Subonderdeel 1.1: analoge toepassing Mededeling Grondverkoop
rov. 5.3van het bestreden arrest ten onrechte tot uitgangspunt neemt dat de in deel II, punt 2 van de Mededeling Grondverkoop genoemde beginselen naar analogie kunnen worden toegepast op de
aankoopvan gebouwen en gronden door een overheidsinstantie.
Subonderdelen 1.2-1.4: schadevergoeding op grond van onteigening
subonderdeel 1.2dat het hof in
rov. 5.27van het bestreden arrest ten onrechte heeft overwogen dat van doorslaggevend belang is of de koopovereenkomst ‘in het kader van een voorzienbare onteigening’ is gesloten. In het
Tijdschrift voor Staatssteun2019/2, par. 2.1.1 en A.D.L. Knook en G.J. van Midden, ‘Staatssteun en gebiedsontwikkeling (deel 1)’,
Bouwrecht2016/88, par. 2.2.
PbEUL 247/32), punt 19-20, aangehaald in rov. 5.3 (slot) van het bestreden arrest. Vgl. verder A.D.L. Knook,
Staatssteun. Handboek voor de praktijk, Deventer: Kluwer 2018, par. 7.1.2.1 en al eerder: B. Hessel & I. Jozepa in :
1001 vragen over staatssteun – De praktijk van decentrale overheden,Den Haag: SDU - 2008, p. 41 en 64.
Nedalco-besluit32van de Commissie is het volgens de klacht niet vereist dat (reeds) voorzienbaar is dat de betrokken grond, bij gebreke van een minnelijke regeling, wordt onteigend. In haar schriftelijke dupliek gaat [Verweerster] nader op dit precedent in.
Tijdschrift voor Staatssteun2019/2, par. 2.1.2.
Vastgoedrecht2016/1, p. 12 e.v.
Nedalco-besluit van de Commissie, nog los van de vraag of uit een enkel besluit van de Commissie voor de rechter een bindende maatstaf kan worden afgeleid. In dat besluit ging de Commissie voorbij aan het argument van de gemeente Bergen op Zoom dat zij niet de bedoeling had om daadwerkelijk gebruik te maken van haar bevoegdheden uit hoofde van de Onteigeningswet (om zo onder de door haar zelf toegekende volledige schadeloosstelling uit te komen). De Commissie brengt daarbij in herinnering dat de betreffende overeenkomst werd gesloten in overeenstemming met art. 40 van Pro de Onteigeningwet.35In de onderhavige zaak is daarvan geen sprake.
Akzo Nobel36en
Automontagebedrijf Steenbergen,37die beide gaan over de verplaatsing van bedrijfsactiviteiten, kan [Verweerster] niet baten. Zoals [Verweerster] onderkent,38werd in die zaken juist geoordeeld dat onteigening niet geschikt of niet mogelijk was. Aan de hand van die zaken kan dus niet worden aangetoond dat met de verkoop van het Terrein wél sprake was van schadevergoeding op grond van onteigening.
rov. 5.28een te strenge invulling aan de eis van voorzienbaarheid heeft gegeven, dan wel op onvoldoende gemotiveerde gronden heeft geoordeeld dat niet kan worden aangenomen dat de gemeente daadwerkelijk het voornemen had om tot onteigening van het Terrein over te gaan. [Verweerster] wijst in dit kader op de volgende door [Verweerster] ingenomen en door het hof niet verworpen stellingen: (a) [Verweerster] heeft bij brief van 28 februari 2008 ondubbelzinnig laten weten haar bedrijf niet te willen verplaatsen, (b) in het DLG-rapport is een koopprijs berekend voor het Terrein uitgaande van volledige schadeloosstelling van [Verweerster] , (c) het initiatief om tot verwerving over te gaan lag bij de gemeente, (d) verwerving van het Terrein werd destijds door de gemeente noodzakelijk geacht, (e) in het voorstel van 14 april 2009 van B&W tot verwerving van het Terrein staat vermeld dat van de koopprijs van € 8.500.000 circa € 2.500.000 zou worden betaald “
als bijkomende schade zoals stagnatieschade en verhuiskosten, op basis van onteigening” en (f) in een brief van 6 mei 2009 van de gemeente wordt expliciet bevestigd dat € 2.500.000 van de koopprijs is geoormerkt als vergoeding van bijkomende schade op basis van een onteigening.
tegen de achtergrond van de door partijen geschetste feiten en omstandigheden”. Daartoe behoren ook de door [Verweerster] onder (a)-(f) genoemde omstandigheden. De (in cassatie niet bestreden) overweging van het hof in rov. 5.14
rov. 5.28van het bestreden arrest – door te overwegen dat er geen concrete plannen lagen voor de herbestemming van het Terrein – van een onjuiste rechtsopvatting is uitgegaan omdat het uitgaat van een te grote mate van concreetheid van de betrokken plannen, dan wel een onbegrijpelijk oordeel heeft gegeven omdat [Verweerster] heeft aangevoerd dat in het DLG-rapport staat dat wordt uitgegaan van “
het plan A31 Zuiderlijn, een concreet plan” en oud-wethouder
het plan A31 Zuiderlijn, een concreet plan” komt uit het memo van 28 mei 2008 van DLG (zie hiervoor, 1.9). In het eindadvies van DLG van 3 juni 2008 (zie hiervoor, 1.10) staat echter dat – om de conclusie te kunnen rechtvaardigen dat sprake is van een voorzienbare onteigening – “
de gemeenteraad het College van B&W opdracht [moet geven] om de visies voor de ontwikkeling van de locatie verder uit te werken in een nieuw bestemmingsplan voor de locatie”. De plannen van de gemeente waren derhalve in de ogen van DLG – die door de Provincie Fryslân ten behoeve van de gemeente was ingeschakeld om de staatssteunaspecten van de aankoop van het Terrein te onderzoeken – niet concreet genoeg om te kunnen spreken van een voorgenomen onteigening. De verklaring van oud-wethouder [betrokkene 2] maakt dit niet anders. Het is dan ook niet onbegrijpelijk dat het hof heeft geoordeeld dat er in deze zaak geen (voldoende) concrete plannen voor de herbestemming van het Terrein lagen.
Nedalco-besluit, waarin de Commissie opmerkt dat het vertrek van Nedalco “
van cruciaal belang was voor de
gemeentedaadwerkelijk het voornemen had om tot onteigening van het Terrein over te gaan.
Subonderdelen 1.5-1.9: marktconforme prijs
rov. 5.18van het bestreden arrest heeft overwogen dat (i) aan de conclusie in de brief van 15 februari 2008 van [betrokkene 1] dat “
DTZ per definitie niet het bedrag heeft vastgesteld dat de gemeente – als specifieke (cursivering hof) koper en met de bijbehorende koperskenmerken – als weldenkend investeerder redelijkerwijs voor het object zou hebben willen betalen” geen betekenis toekomt omdat het niet de juiste maatstaf is en (ii) het erom draait wat een particuliere koper in de gegeven omstandigheden voor het object zou hebben betaald. Het hof heeft hiermee miskend dat het gaat om de vraag of een
vergelijkbareparticuliere economische speler
in de gegeven omstandighedeneen vergelijkbare koopprijs zou hebben betaald voor het Terrein. De specifiek aan de gemeente verbonden koperskenmerken, zoals het bezit van belendende percelen, kunnen hierbij wel degelijk van belang zijn.
market economy operator-test’ mag alleen rekening worden gehouden met eventuele (specifieke) koperskenmerken van de gemeente die voortvloeien uit haar hoedanigheid van beoogd grondeigenaar en niet met de koperskenmerken die voortvloeien haar hoedanigheid van decentrale overheid.41Uit de conclusie van [betrokkene 1] blijkt niet dat daarin de koperskenmerken van de gemeente als overheid buiten beschouwing zijn gelaten.
rov. 5.26van het bestreden arrest heeft geoordeeld dat de gemeente geen marktconforme prijs voor het Terrein heeft betaald. Volgens [Verweerster] heeft het hof een onbegrijpelijke uitleg gegeven aan de door haar aangevoerde stellingen dat (a) het DTZ-rapport concludeert dat het Terrein moet worden getaxeerd op € 6.250.000 in de huidige staat en
rov. 5.17dat [Verweerster] zou hebben gesteld dat DTZ bij de berekening van de onderhandse verkoopwaarde van het Terrein ten onrechte de methode van de residuele waardeberekening heeft gehanteerd. Het onderdeel voegt daar aan toe dat het hof niet, althans niet op toereikende wijze, op de door [Verweerster] aangedragen kritiek op de residuele grondwaardeberekening in het DTZ-rapport heeft gerespondeerd.
Commissie/Électricité de France), punt 79-82, besproken door o.a. G. van der Wal en M.C. van Heezik,
Tijdschrift voor Staatssteun2012, nr. 3. Zie ook de Mededeling Staatssteun, punt 76 en 77.
rov. 5.15 en 5.26van het bestreden arrest zijn oordeel dat de gemeente geen marktconforme prijs voor het Terrein heeft betaald, mede heeft doen steunen op het DLG-rapport, waaruit volgens het hof een waarde van € 6.138.000 blijkt (zie hiervoor, 1.10). Hiermee ziet het hof eraan voorbij dat [Verweerster] heeft gesteld dat in het DLG-rapport een residuele grondwaarde van € 8.350.000 is vastgesteld en van het hoogste bedrag dient te worden uitgegaan.42
rov. 5.21van het bestreden arrest, waarin het hof heeft geoordeeld dat het verwijt van [Verweerster] dat DTZ geen rekening heeft gehouden met de zogeheten
marriage valuefeitelijke grondslag mist omdat de gemeente het Perseverantia-terrein en de overige omliggende gronden op het moment van het sluiten van de koopovereenkomst niet in eigendom had. Volgens het onderdeel is dit oordeel tegenstrijdig met de daaropvolgende vaststelling dat de gemeente een deel van de desbetreffende gronden wél in eigendom had. Gelet op deze vaststelling is evenzeer onbegrijpelijk dat het hof het beroep op
marriage valuegeheel verwerpt. Ook valt niet in te zien waarom de plannen die destijds bestonden (woningbouw en aanpassing N31) een beroep op
marriage valueniet kunnen dragen.
marriage valueechter niet alleen verworpen omdat de gemeente slechts een deel van de omliggende gronden in eigendom had, maar ook omdat de gemeente voor de omliggende gronden die ze wél in eigendom had, ten tijde van de het sluiten van de koopovereenkomst nog geen concrete plannen had. De plannen die er lagen waren bovendien niet haar eigen plannen maar van [naam b.v.] . Overigens maakt [Verweerster] niet duidelijk op welke wijze de omstandigheid dat de gemeente een deel van de desbetreffende omliggende gronden in handen had, zou doorwerken in de gestelde
marriage value. Daarom doet het er niet toe of het hof nu wel of niet rekening heeft
marriage value. In zoverre heeft [Verweerster] ook geen belang bij deze klacht.
rov. 5.24, waarin het hof heeft geoordeeld dat de kosten van het bouwrijp maken van het Terrein (door Verhoeve Milieu B.V. begroot op ten minste € 2.199.506,36) op de door derden gedane biedingen op het Terrein in mindering moeten worden gebracht, omdat ingevolge de koopovereenkomst die kosten door de gemeente worden gedragen. Daaraan doet volgens het hof niet af dat deze kosten niet door de gemeente zouden worden gedragen omdat zij daarvoor een subsidie zou krijgen van de provincie. Het onderdeel betoogt dat dit oordeel, zonder nadere motivering, onbegrijpelijk is omdat de beschikbaarheid van een dergelijke subsidie meebrengt dat een particuliere economische speler bereid is een hoger bedrag te betalen dan zonder subsidie.
minimalesaneringskosten. Door het Terrein in ongesaneerde staat te kopen heeft de gemeente uitdrukkelijk het risico genomen dat de kosten van sanering uiteindelijk hoger zouden uitvallen.44Van deze onzekerheid zou normaal gesproken een prijsverlagend effect moeten uitgaan, temeer omdat de gemeente [Verweerster] moest vrijwaren ‘voor iedere vordering dienaangaande’.45
Subonderdeel 1.10: beïnvloeding handelsverkeer en De-minimisverordening
Arriva Italia), punt 36.
4.Bespreking van het middel in het principale cassatieberoep
Residex II-arrest,51door het hof aangehaald in het bestreden arrest, is dit de eerste keer dat uw Raad wordt verzocht te oordelen over de doorwerking van een schending van art. 108 lid 3 VWEU Pro in het vermogensrecht. In deze inleiding verwijs ik op enkele kenmerken van deze zaak die voor de beoordeling relevant zijn.
Residex-zaak omdat het daar ging om een garantieverstrekking en niet om een koopovereenkomst. In de driehoeksrelatie
not notified) ervoor.
NJ2008/185, m.nt. M.R. Mok (
CELF I).
Residex-zaak, maar niet in de meeste andere Europese arresten die gaan over de bevoegdheden en taken van de nationale rechter bij de handhaving van art. 108 lid 3 VWEU Pro. Vgl. HvJEU 11 november 2015, C-505/14, ECLI:EU:C:2015:742 (
Klausner Holz), waarin de Commissie bezig was met een onderzoek en nog een besluit moest nemen; HvJEU 21 november 2013, C-284/12, ECLI:EU:C:2013:755 (
Deutsche Lufthansa), waarin de Commissie een openingsbesluit had genomen om nader onderzoek te doen; en HvJEG 18 juli 2007, C-119/05, ECLI:EU:C:2007:434 (
Lucchini), waarin de Commissie bij eindbeschikking de terugvordering van onrechtmatige steun had gelast.
Residexde vraag rijzen of nietigheid een geschikt en proportioneel middel was om de door de garantieverstrekking verstoorde concurrentieverstoring weg te nemen.54En dat was ook de reden voor de Hoge Raad om prejudiciële vragen te stellen. Op die vragen heeft het Hof van Justitie geantwoord dat de laatste zin van art. 88 lid 3 EG Pro (thans art. 108 lid 3 VWEU Pro):
ofnietigheid een passende wijze van remediëring was.
BP/ [naam 1]zou men eerder het omgekeerde verwachten.56In die zaak stelde de exploitant van een tankstation dat een contractuele bepaling in zijn exploitatieovereenkomst in strijd was met het verbod van mededingingsbeperkende afspraken en beriep zich op de daarop gestelde nietigheidssanctie (art. 6 lid 2 Mededingingswet Pro en art. 101 lid 2 VWEU Pro). Die zaak had betrekking op een duurovereenkomst. De exploitant zou, als gevolg van zijn (naar bleek: terechte) beroep op de nietigheid van het litigieuze contractueel beding zijn contract kwijt zijn als dat geheel nietig zou worden verklaard.57De afdwinging van uit het Unierecht voor hem voortvloeiende rechten zou daarmee als een boemerang kunnen uitwerken. In de onderhavige zaak gaat het om een eenmalige transactie zodat andere overwegingen een rol kunnen spelen dan in de zaak
BP/ [naam 1].
NJ2014/347, m.nt. M.R. Mok en Jac. Hijma (
BP/ [naam 1]).
kunnenworden. Als het om de koopprijs in een koopovereenkomst gaat, is dat naar zijn aard lastig. Los van deze juridisch-technische belemmering zie ik als mogelijk bezwaar tegen het aannemen van partiële nietigheid van een koopovereenkomst dat de rechter de koopprijs aanpast, in sommige gevallen tot een prijs waartegen de begunstigde van de steun de koopovereenkomst nooit zou hebben gesloten.62
Residex Capital)
,punt 48
:de verwijzende rechter kan de nietigverklaring uitspreken, indien hij van oordeel is dat, “
gelet op de omstandigheden die aan de onderhavige zaak eigen zijn”, nietigverklaring ertoe kan bijdragen dat de mededingingssituatie wordt hersteld.
BP/ [naam 1], rov. 3.7.3: “
mede gelet op de overige omstandigheden van het geval”.
NJ2013/317, m.nt. M.R. Mok (
PI/Gemeente Maastricht e.a.), rov. 4.6.2: “
[niet] valt (…) in te zien waarom art. 108 VWEU Pro zich principieel zou verzetten tegen het uitspreken van partiële nietigheid van een rechtshandeling.” Zie ook de noot van Hartkamp bij Rb. Noord-Nederland 4 juni 2014, ECLI:NL:RBNNE:2014:2790,
JOR2014/287 (
Ludinga/gemeente Harlingen) onder 4: “
Er is geen reden de figuur van de partiële nietigheid hier uit te sluiten.”
Strikken voor Hartkamp,
WPNR7045, p. 11-15. Van den Brink stelt met betrekking tot de nietigheid de volgende toets voor : “
… een met het staatssteunverbod strijdige rechtshandeling is nietig als en voor zover met die nietigheid de verstoring van de mededinging wordt opgeheven.” Om daar vervolgens aan toe te voegen dat “
het betoog dat een nietig deel van een overeenkomst in ‘onverbrekelijk verband’ staat met wat na die partiële nietigheid overblijft, veelal kansrijk zal zijn als zo’n partiële nietigheid diep ingrijpt in wat als de kern van de afspraak tussen partijen kan worden aangemerkt.” De koopprijs lijkt mij van dat laatste een voorbeeld.
subonderdeel 2.1betoogt dat het hof – naast partiële en algehele nietigheid van de koopovereenkomst – andere maatregelen had moeten onderzoeken om de staatssteun terug te vorderen;
subonderdeel 2.2betoogt dat volledige nietigheid van de koopovereenkomst niet is vereist en dat handhaving van art. 108 lid 3 VWEU Pro geen meldingsprikkel beoogt; en
subonderdeel 2.3komt op tegen de wijze waarop het hof de partiële nietigheidstoets van art. 3:41 BW Pro heeft uitgevoerd.
5.43geoordeeld dat de strekking van art. 108 lid 3 VWEU Pro eraan in de weg staat dat de koopovereenkomst partieel nietig wordt verklaard. Dit oordeel wordt bestreden in
subonderdeel 2.2. Als tweede grond heeft het hof in rov.
subonderdeel 2.3. Deze dubbele grondslag betekent dat het oordeel dat van partiële nietigheid van de koopovereenkomst geen sprake kan zijn in cassatie alleen geen stand houdt als van elk van beide subonderdelen ten minste één klacht slaagt.
Subonderdeel 2.1: ook andere maatregelen dan nietigheid onderzoeken
Onder 2.1.3 en 2.1.4klaagt het middel dat het hof heeft miskend dat de art. 6:162 BW Pro en 6:212 BW een grondslag bieden voor terugvordering van in strijd met art. 108 lid 3 VWEU Pro uitgevoerde staatssteun. Deze klachten lenen zich voor een gezamenlijke behandeling.
Residex-zaak aan (onder 307-317) om te betogen dat in deze zaak met een minder dwingende maatregel dan algehele nietigheid kan worden volstaan. In dat verband noemt zij alleen partiële nietigheid, waarna een lang betoog volgt waarom partiële nietigheid moet worden toegepast (onder 319-352). De gemeente gaat in de memorie van antwoord niet in op ongerechtvaardigde verrijking of onrechtmatige daad. Zij heeft daartoe ook geen feiten gesteld zodat de feitelijke grondslag om de rechtsgronden aan te vullen ontbreekt.65De stelling van de gemeente in haar schriftelijke toelichting dat zij in de memorie van antwoord de alternatieve opties heeft ‘uitgelicht’, kan ik daarom niet goed plaatsen.66
EU-recht vereist toets van effectiviteit en proportionaliteit; ook andere maatregelen dan nietigheid onderzoeken.’ Ik zie dat anders. Het ongedaan maken van de mededingingsverstoring die het gevolg is van een in strijd met de standstill-verplichting uitgevoerde steunmaatregel, dient plaats te vinden overeenkomstig het nationale recht. Het Unierecht verplicht de nationale rechterlijke instanties niet een welbepaald rechtsgevolg te verbinden aan de geldigheid van de handelingen ter uitvoering van de steun, zo lang maar een remedie wordt toegepast die ertoe leidt dat de mededingingsverstoring volledig wordt opgeheven.67Ik verwijs naar het recente arrest
Eesti Pagarvan het Hof van Justitie:68
Residex-arrest van het Hof van Justitie.
NJ2012/124, m.nt. M.R. Mok (
Residex), punt 44.
Eesti Pagar).
Residex-zaak toonde de bijzonderheden van een borgstelling). Duidelijk is echter dat een dergelijke schending de nationale rechter verplicht tot het trekken van consequenties “
met name wat zowel de geldigheid van handelingen tot uitvoering van de steunmaatregelen in kwestie betreft.” Dat is hier de koopovereenkomst. Ik zie dan ook niet in dat het Unierecht de rechter zou verplichten tot het toepassen van alternatieve remedies als ongerechtvaardigde verrijking of onrechtmatige daad, laat staan ambtshalve. Mocht uw Raad oordelen dat het Hof wél is uitgegaan van een onjuiste rechtsopvatting en de hier besproken klachten daarom slagen, dan kunnen die klachten niet tot cassatie leiden omdat aan de voorwaarden voor een succesvol beroep op ongerechtvaardigde verrijking69of op onrechtmatige daad70niet is voldaan. Er was daarom geen passende andere remedie dan de nietigheid van de koopovereenkomst uit te spreken. Daarbij is het een aparte vraag of de nietigheid hier had kunnen worden beperkt tot partiële nietigheid (zie daarover subonderdeel 2.3).
Subonderdeel 2.2: geen volledige nietigheid en geen meldingsprikkel
rov. 5.4 en 5.43van het bestreden arrest, waarin het hof tot het oordeel komt dat gelet op de strekking van art. 108 lid 3 VWEU Pro en de noodzaak een doeltreffende sanctie te stellen op schending van die bepaling geen plaats is voor partiële nietigheid van de koopovereenkomst.
NJ2016/358, m.nt. T.F.E. Tjong Tjin Tai (
Bierbrouwerij De Leeuw/De Leeuw), rov. 3.7.2.
BP/ [naam 1]heeft de Hoge Raad het volgende overwogen:71
BP/ [naam 1]niet limitatief is. Het hof heeft daarom in rov. 5.43 de strekking van de geschonden norm
NJ2014/347, m.nt. M.R. Mok en Jac. Hijma (
BP/ [naam 1]).
in dit gevalkon van partiële nietigheid voor de gemeente een verminderde prikkel uitgaan om de koop (tijdig) bij de Commissie aan te melden omdat de gemeente dan het Terrein mag houden en de koopprijs naar beneden wordt bijgesteld.
subonderdeel 2.3tegen de tweede grond, die inhoudt dat er tussen de rest van de koopovereenkomst en de koopprijs een onverbrekelijk verband bestaat. Ik zal de klachten in dat laatste subonderdeel hierna toch bespreken omdat de zaak ook, en mogelijk beter, op die tweede grond kan worden beslist. Over de rest van subonderdeel 2.2 kan ik betrekkelijk kort zijn.
onder 2.2.4dat het oordeel van het hof om de gehele koopovereenkomst nietig te verklaren onvoldoende begrijpelijk is gemotiveerd.
ofde nationale rechter het overheidsorgaan dat staatssteun heeft verleend moet gelasten die steun terug te vorderen. Volgens het hof is dat inderdaad noodzakelijk, ook als de instantie die de steun heeft verleend zelf met een beroep op de staatssteunregels de aanzet geeft voor de terugvordering. Dat oordeel is juist.74Rov. 5.43 ziet op een andere vraag, namelijk
hoeherstel van de mededingingssituatie dient te worden gerealiseerd. Bij de beoordeling of in de gegeven omstandigheden partiële nietigheid van de rechtshandeling mogelijk is spelen alle omstandigheden van het geval een rol. Zo dient ook rekening te worden gehouden met het evenwicht tussen de voor- en nadelen voor beide partijen. Het hof heeft het niet passend geacht dat de gemeente, louter een voordeel zou krijgen in de vorm van een lagere koopprijs en [Verweerster] de nadelen zou ondervinden. 75Dit oordeel is niet tegenstrijdig met het oordeel van het hof in rov. 5.7 en evenmin onbegrijpelijk.
Subonderdeel 2.3: partiële nietigheidstoets
BP/ [naam 1]onjuist zou hebben toegepast. 76Zij gaat, ook in haar schriftelijke toelichting bij dit subonderdeel, zelfs niet op dat arrest in.
Eesti Pagar), punt 92. In die zaak had de steunverlenende instantie na enkele jaren het initiatief genomen tot intrekking van een verleende steun omdat zij achteraf had vastgesteld dat die niet voldeed aan alle voorwaarden om van rechtswege te zijn goedgekeurd en van aanmelding te zijn vrijgesteld op de voet van de algemene groepsvrijstelling (toen Verordening (EG) nr. 800/2008; thans Verordening (EU) nr. 651/2014).
Bouwrecht2019/79, par. 4.1.
NJ2014/347, m.nt. M.R. Mok en Jac. Hijma (
BP/ [naam 1]).
koopprijs kan worden gesplitstin een nietig gedeelte (bedrag aan staatssteun) en een rechtsgeldig gedeelte (rest koopprijs).
eerste vraagin dat verband is of
in zijn algemeenheideen koopprijs splitsbaar is. In beginsel is dat niet het geval. Ik verwijs naar twee arresten uit 1951 en 1961, waarin de Hoge Raad (algehele) nietigheid als sanctie heeft verbonden aan overeenkomsten waarin, in strijd met wettelijke prijsvoorschriften, een te hoge prijs was bedongen.79Recent merkte Van Dam, onder verwijzing naar deze uitspraken, het volgende op:80
NJ1952/127 (
Flora/Van der Kamp) en HR 3 februari 1961, ECLI:NL:HR:1961:99 (
Mogendorff/Aptroot),
NJ1962/183.
Rechtshandeling en overeenkomst (SBR 3), negende druk, 2019/200.
Privaatrechtelijke gevolgen van een schending van het mededingingsrecht, (diss. Nijmegen) Deventer: Wolters Kluwer 2016, par. 121 en A.C. van Schaick,
Contractsvrijheid en nietigheid, Zwolle: W.E.J. Tjeenk Willink 1994, p. 270.
tweede vraagis of, nog steeds
in zijn algemeenheid, een koopprijs ook als een onsplitsbaar beding moet worden beschouwd als wordt aangenomen dat die koopprijs voor een deel staatssteun vormt. Daarbij kan het om twee varianten gaan. In de eerste variant is de overheid verkoper en ligt de bedongen koopprijs onder de marktwaarde van het verkochte goed. In dat geval is de koopprijs niet splitsbaar maar is nietigheid niet nodig om de mededingingssituatie van vóór steunverlening te herstellen. Daartoe volstaat dat de koper de koopsom aanvult (met rente) om een einde te maken aan het door hem genoten voordeel. Hier is de tweede variant aan de orde: de overheid is koper en heeft ‘te veel’ betaald. Mijns inziens moet de koopprijs in beginsel als onsplitsbaar worden beschouwd. In de zojuist genoemde arresten over schending van wettelijke prijsvoorschriften ging het ook om een prijs die pas vanaf een bepaald niveau in strijd was met de wet.
derde vraagis of de koopsom
in deze zaaksplitsbaar is. Dat betreft een vraag van uitleg van de overeenkomst,83die in cassatie beperkt toetsbaar is. Ik zal hierna toelichten waarom ik meen dat het hof terecht heeft geoordeeld (in rov. 5.44) dat de koopsom onsplitsbaar is en dat de tegen dat oordeel gerichte klachten (procesinleiding,
2.3.16 en 2.3.17) ongegrond zijn.
vierde vraagis dan of de (eventuele) vaststelling dat de koopprijs ondeelbaar is, meebrengt dat ook het als staatssteun aangemerkte bedrag in onverbrekelijk verband staat met de rest van de koopovereenkomst. In de regel zal dat het geval zijn. Het rechtsgevolg is dan algehele nietigheid. Aan de voorwaarden voor het aannemen van partiële nietigheid is niet voldaan.
tot slotnog moet worden getoetst of de bereikte uitkomst, algehele nietigheid, voldoet aan de Unierechtelijke randvoorwaarden van doeltreffendheid en proportionaliteit. Aan de voorwaarde van doeltreffendheid lijkt sowieso voldaan. De voorwaarde van proportionaliteit, die is af te leiden uit het
Residex-arrest, heeft tot doel te voorkomen dat de
begunstigdevan onrechtmatige staatssteun onevenredig wordt benadeeld wanneer de steun om een reden van algemeen belang (herstel van verstoorde mededingingsverhouding) moet worden teruggedraaid.84Deze eis kan er niet toe leiden dat de koopovereenkomst slechts partieel nietig is omdat dit de overheidsinstantie die art. 108 lid 3 VWEU Pro heeft geschonden financieel beter uitkomt.85
BP/ [naam 1], rov. 3.7.3: “
De vraag of van een [onverbrekelijk] verband sprake is, is een vraag van uitleg van de rechtshandeling.”
Drie rechters en één norm. Handhaving van de Europese staatssteunregels voor de Nederlandse rechter en de grenzen van de nationale procedurele autonomie,(diss. Leiden), Deventer: Kluwer 2016, p. 466 (onder): “
Aangenomen dat terugvordering moet plaatsvinden op devoor de begunstigdeminst bezwarende wijze, valt er veel voor te zeggen dat met de wensen van de begunstigde waar mogelijk rekening moet worden gehouden.” (arcering in het origineel)
Residex-zaak belang had bij algehele nietigheid van de verstrekte garantie. En ook een gemeente die voor een projectplan een bouwterrein heeft verworven maar vervolgens wegens het inzakken van de markt het project niet van de
2.3.17dat onvoldoende begrijpelijk is gemotiveerd waarom betekenis zou toekomen aan het feit dat de koopsom ‘in het algemeen’ in onverbrekelijk verband staat met de rest van de overeenkomst. Uit de door de gemeente genoemde omstandigheden zou volgen dat het als steunmaatregel kwalificerende deel van de koopsom wél losstaat van de koopsom van het Terrein.
koopprijsvan het Terrein € 8.500.000 bedraagt (zie hiervoor, 1.12). De koopsom bestaat uit één bedrag en is niet in afzonderlijke delen opgesplitst. Het onderscheid tussen € 6.500.000 en € 2.000.000 ziet op de (wijze van) betaling van de koopsom en niet op de koopsom zelf. Ook als een koopprijs in termijnen kan worden betaald is er nog steeds één koopprijs.87Uit de stukken blijkt dat ook de gemeente uitging van een totale aankoopsom van
Bouwrecht2019/79 par. 4.4.
earn out-regeling wordt afgesproken. De koper betaalt bij levering een meestal een vast bedrag dat een deel van de koopsom vertegenwoordigt. Later volgt een tweede bedrag waarvan de hoogte veelal afhankelijk is van de na levering behaalde resultaten en daarom op moment van de levering nog niet vaststaat.
De totale aankoopsom bedraagt derhalve € 8.500.000 k.k.”.
De onderhandelingen met de gemeente hebben uiteindelijk geleid tot een concreet aanbod van € 8.350.000. In deze transactie is de verkoop van een gedeelte van het talud (verkoopsom € 150.000) in de Industriehaven gelegen voor de locatie van [Verweerster] verwerkt.”
Tijdschrift voor Staatssteun2019, afl. 2, p. 79; G.J. Huith en G.J. van Midden, ‘De zaak [Verweerster] : civielrechtelijke gevolgen van niet-gemelde staatssteun’,
Bouwrecht2019/79, par. 4.1; J.F. van Nouhuys en P. Heijnsbroek, ‘De zaak Harlingen en de consequenties van het niet aanmelden van een steunmaatregel’,
Tijdschrift Aanbestedingsrecht2018/6, p. 9.
BP/ [naam 1]heeft gegeven en waar de gemeente in cassatie niet op ingaat.91
nietkan worden gedragen door de volgende omstandigheden: (a) een overeengekomen koopsom staat ‘veelal’ in onverbrekelijk verband met de rest van de overeenkomst, (b) partijen hebben de koopsom als onsplitsbaar beding bedoeld, (c) partijen zouden de nietige overeenkomst in herstelde situatie niet hebben gesloten en
rov. 5.46dat [Verweerster] gemotiveerd heeft weersproken en de gemeente niet verder heeft onderbouwd dat algehele nietigheid tot een groot incassorisico voor de gemeente leidt.
2.3.6en
2.3.7, die eveneens over het gestelde incassorisico gaan behoeven gelet op het voorgaande geen aparte bespreking.
rov. 5.46) dat de stelplicht en bewijslast aangaande het incassorisico op de gemeente rust. Op grond van de redelijkheid en billijkheid rust bij schending van art. 108 lid 3 VWEU Pro de stelplicht en bewijslast dat een prestatie ongedaan kan worden gemaakt namelijk op de partij die als gevolg van de (partiële) nietigheid de prestatie ongedaan moet maken ( [Verweerster] ).
Onderdeel 2.3.9voegt hieraan toe dat het hof onvoldoende begrijpelijk heeft gemotiveerd dat de door de gemeente aangevoerde informatieongelijkheid betreffende het incassorisico geen aanleiding vormt om van de hoofdregel van art. 150 Rv Pro af te wijken.
rov. 5.47van een onjuiste rechtsopvatting is uitgegaan door te oordelen dat het feit dat algehele nietigheid tot allerlei complicaties leidt voor risico van de gemeente komt, omdat die risico’s voor de gemeente voorzienbaar en te voorkomen waren. Aan een dergelijke algemene risicoregel staat in de weg (i) dat art. 108 lid 3 VWEU Pro ertoe strekt de mededingingssituatie te herstellen,
Bewijs, Deventer: Kluwer 2014, nr. 38.
Het is bepaald niet aannemelijk dat [Verweerster] in staat is om een bedrag van € 6,5 miljoen, met rente, ineens aan de gemeente (terug) te betalen.”
2.7 en 2.8van het aanvullingsarrest, waarin het hof oordeelt dat [Verweerster] geen (wettelijke) rente is verschuldigd over het aan de gemeente terug te betalen bedrag.
AB1997/288, m.nt. F.H. van der Burg (
Alcan). De vergewisplicht van de begunstigde werd zeer recent bevestigd in HvJEU 30 april 2020, C-627/18, ECLI:EU:C:2020:321 (
Nelson Antunes da Cunha Lda), punt 46: “
Eveneens moet eraan worden herinnerd dat het vaste rechtspraak is dat, gelet op het dwingende karakter van het door de Commissie op grond van artikel 108 VWEU Pro uitgeoefende toezicht op de steunmaatregelen van de staten, ten eerste ondernemingen die steun genieten in beginsel enkel een gewettigd vertrouwen in de rechtmatigheid van de steun kunnen hebben wanneer deze steun met inachtneming van de procedure van dat artikel is toegekend, en ten tweede een behoedzame marktdeelnemer normaal gesproken in staat zal zijn zich ervan te vergewissen of deze procedure is gevolgd. (…).”
Wts).96Deze wet is op 1 juli 2018 met onmiddellijke werking van kracht geworden en daarom temporeel van toepassing op deze zaak. Op grond van de zojuist genoemde bepaling uit die wet is over onrechtmatige steun die voortvloeit uit een overeenkomst naar Nederlands recht, rente verschuldigd is. Het hof heeft dat miskend, aldus het middel.
wettelijke rentete vergoeden. Dit betreft een feitelijk oordeel dat in cassatie niet op juistheid maar slechts op begrijpelijkheid kan worden getoetst. In dit kader geldt dat de gemeente, na wijziging van haar eis bij akte van 7 oktober 2015, uiterst subsidiair heeft gevorderd de koopovereenkomst nietig te verklaren en [Verweerster] te veroordelen tot terugbetaling van een bedrag van € 6.500.000, vermeerderd met de daarover berekende rente als bedoeld in art. 11 van Pro Verordening 794/2004, althans de wettelijke rente vanaf de datum van de steunverlening, althans de datum van het vonnis, tot en met de datum van de terugbetaling. [Verweerster] heeft in hoger beroep betoogd dat zij geen wettelijke rente is verschuldigd, omdat zij niet in verzuim is.97Op dit betoog heeft
Stb. 2018, 99.
NJ2011/9 (
[naam 3] / [naam 2]), onder 2.20.
Telecom Italia/Regione Sardegna)
.
Kamerstukken II2007/08, 31 418, nr. 2.
[naam 4] /Minister van LNV),
NJ AB2006/208, m.nt. W. den Ouden en
Gemeentestem2006/98, m.nt.
Staat/ [naam 4]).
Kamerstukken II2016/17, 34 753, nr. 2.
over het ongedaan te maken staatssteunbedrag. Voor de berekening van de rente verwijst lid 4 van art. 7 naar Pro lid 2, dat weer verwijst naar Verordening 2015/1589 (de Procedureverordening). Daardoor wordt voor het te hanteren rentepercentage aangehaakt bij het rentepercentage dat van toepassing is als de Commissie de terugvordering van steun gelast.
ambtshalvede rente op grond van de Wts te hebben berekend en toegewezen. De rechter kan deze rente echter alleen toewijzen wanneer de stellingen van de gemeente voldoende aanknopingspunten bevatten om tot het oordeel te komen dat rente op grond van de Wts is verschuldigd. Die stellingen ontbreken.
koopsomvan € 6.500.000 niet over het aan [Verweerster] betaalde
staatssteunbedrag, dat volgens de gemeente € 2.250.000 bedraagt, waarvan slechts
5.51van het bestreden arrest en rov.
NJ1984/372, rov. 3.6.
NJ1998/640, rov. 3.4.
Cassatie(BPP nr. 20) 2019/227.
5.Conclusie
kunnenberoepen op derdenbescherming en niet dat zij dat ook
willendoen en
zullendoen.