Conclusie
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
CONCLUSIE
eerste middelklaagt over het onder 1 bewezenverklaarde feit, meer in het bijzonder dat ‘s hofs verwerping van het door de verdachte geschetste alternatieve scenario, blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting en/of dat de bewezenverklaring, in het bijzonder wat betreft het opzet van de verdachte, niet strookt met het door de verdachte geschetste alternatieve scenario, zonder dat die alternatieve gang van zaken (voldoende) wordt weerlegd door de bewijsvoering van het hof.
Bewijsoverwegingen
straatwaarde’ van de aangetroffen hoeveelheid MDMA niet uit de bewijsvoering blijkt, kan het niet slagen. Dergelijke conclusies van feitelijke aard die de rechter heeft getrokken uit de feiten en omstandigheden die in de bewijsvoering zijn vervat, kunnen in cassatie immers slechts op hun begrijpelijkheid worden getoetst en onbegrijpelijk acht ik die conclusie niet.
tweede middelklaagt dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM in de cassatiefase is overschreden, omdat de stukken te laat door het hof zijn ingezonden.