Conclusie
2.Bespreking van het cassatiemiddel
eerste klachtwordt geklaagd [2] dat het hof blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door te oordelen dat de door de man te betalen uitkering tot levensonderhoud van de vrouw (hierna ook: partneralimentatie) in tijd wordt beperkt tot vijf jaar. Partijen, in het bijzonder de man, hebben niet verzocht om beperking van de duur van de alimentatiebijdrage overeenkomstig het bepaalde in artikel 1:157 lid 3 NABW Pro. De wettelijke grondslag voor beperking van de duur van de alimentatiebijdrage ontbreekt derhalve. Voorts heeft het hof geen inzicht gegeven in zijn gedachtegang die beperking van de wettelijke duur van twaalf jaar zou rechtvaardigen. Het bepaalde in artikel 1:157 lid 6 NABW Pro is niet van toepassing, nu partijen op 10 juli 2005 zijn gehuwd en de echtscheidingsbeschikking op 8 oktober 2018 is ingeschreven. De verplichting tot het betalen van levensonderhoud eindigt derhalve van rechtswege in beginsel na het verstrijken van een termijn van twaalf jaar (op grond van artikel 1:157 lid 4 NABW Pro). Door op deze wijze te oordelen is het hof ook buiten het debat van partijen getreden. Het hof heeft een verrassingsbeslissing gegeven, nu de vrouw niet in de gelegenheid is gesteld om stellingen te betrekken met betrekking tot de beperking van de alimentatieduur.
gelimiteerd(beëindigd) op grond van artikel 1:157 lid 3 van Pro het Burgerlijk Wetboek van de Nederlandse Antillen [3] (hierna: BWNA genoemd). Ik bespreek eerst het op deze zaak van toepassing zijnde recht, waarna ik toekom aan de klacht over de limitering zoals hiervoor beschreven.
Limitering van alimentatie
tweede klachtwordt geklaagd [8] dat de begroting van het netto besteedbaar inkomen van de man op in totaal NAf 3.787,- mede ontleend is aan de begroting van het inkomen (op NAf 800,-) dat de man ontleent aan werkzaamheden met betrekking tot het voortzetten van de productie en verkoop van wierookproducten (na sluiting van zijn onderneming Kas di Sensia). Voor die beslissing ontbreekt een voldoende deugdelijke motivering. Het Hof hecht betekenis aan de niet door de man betwiste verklaring van de vrouw dat zij op papier een inkomen genoot bij Kas di Sensia van NAf 1.900,- per maand, maar voldoende financiële ruimte had om haar maandelijkse kosten van NAf 6.200,- te voldoen. Daarvan uitgaande was te verwachten dat het Hof, evenals het GEA, zou zijn uitgegaan van een maandelijks inkomen van de man van NAf 1.900,- netto per maand, mede nu het Hof van betekenis heeft geacht dat de man het moedwillig heeft laten aankomen op een deconfiture van Kas di Sensia.