Conclusie
(hierna: de vrouw)
advocaat: mr. J. van Weerden
niet verschenen
1.Feiten
2.Procesverloop
3.Bespreking van het cassatiemiddel
Ritzen/Hoekstragenoemde gevallen – het te executeren vonnis berust klaarblijkelijk op een juridische of een feitelijke misslag of de executie zal door na het vonnis voorgevallen of aan het licht gekomen feiten klaarblijkelijk aan de zijde van de geëxecuteerde een noodtoestand doen ontstaan – slechts voorbeelden zijn van een situatie waarin sprake is van misbruik van bevoegdheid. Er kunnen zich ook andere situaties voordoen waarin in verband met na de uitspraak voorgevallen of aan het licht gekomen feiten van misbruik sprake is. [8]
onderdeel A van klacht 1heeft het hof ten onrechte tot uitgangspunt genomen dat het de man was toegestaan onder zichzelf executoriaal beslag te laten leggen op de door hem aan de vrouw te betalen kinderalimentatie voor beweerdelijk door de vrouw verbeurde dwangsommen.
onder adat het hof er ten onrechte aan voorbij heeft gezien dat geen sprake is van een situatie als bedoeld in art. 479h Rv, omdat de door de man aan de vrouw te betalen kinderalimentatie geen vordering is die de vrouw op de man heeft. Dit omdat de man de kinderalimentatie
ten behoeve van de minderjarige kinderenaan de vrouw dient uit te keren en die bedragen de bestemming hebben de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige kinderen te dekken. De man dient die bedragen dus niet ten behoeve van de vrouw zelf te voldoen. De aanspraak op kinderalimentatie strekt er ook niet toe om het vermogen van de vrouw te vergroten.
NJ1990/523. [11]
NJ1990/523). Daarin is slechts beslist – in lijn met eerdere rechtspraak – dat kinderalimentatie niet ‘in natura’ kan worden voldaan.
NJ1990/523, waarin de Hoge Raad heeft overwogen dat de alimentatieplichtige ouder zich niet door rechtstreekse verstrekkingen van geld of goederen aan de kinderen van zijn alimentatieverplichting kan kwijten.
onder bdat het hof ten onrechte eraan voorbij heeft gezien dat alimentatie-uitkeringen als bestemming hebben om te voorzien in het levensonderhoud van iemand die niet in staat is zich dit zelf te verschaffen (in dit geval: de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige kinderen). Daarom mogen zij niet in beslag worden genomen. Ter toelichting wordt onder meer gewezen op de conclusie van A-G Wesseling-van Gent voor HR 27 januari 2012,
NJ2012/244, alsmede de noot van Wortmann onder dat arrest.
uitkeringen tot levensonderhoud, verschuldigd krachtens Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek’.
in regten toegewezene gelden tot onderhoud’ (art. 756, aanhef en onder 2º, Rv oud). Derdenbeslag op partner- en kinderalimentatie was dus niet toegestaan. De enige uitzondering daarop was beslag tot verhaal ‘
van het verschuldigde wegens levering van levensbehoeften, verstrekt aan dengeen, tegen wien het beslag gedaan wordt’ (art. 756-slot Rv oud). Hiermee werd gedoeld op de situatie dat beslag wordt gelegd door iemand die verhaal zoekt voor aan hem verschuldigd levensonderhoud. [15] Een vergelijkbare uitzondering is op dit moment te vinden in het beslagverbod van art. 45 Algemene Pro wet inkomensafhankelijke regelingen. [16] Ook het beslagverbod op kinderbijslag kent een vergelijkbare uitzondering (zie hierna onder 3.18).
kinderbijslag. Daarvoor bleef het beslagverbod gehandhaafd. In de memorie van toelichting is opgemerkt dat kinderbijslag,
“een voorziening met een geheel eigen karakter en specifiek bestemd voor het onderhoud van het kind”, in een uitzonderingspositie behoort te worden geplaatst. [24] In art. 23 lid Pro 1, aanhef en onder c, van de Algemene Kinderbijslagwet is hiertoe bepaald dat de kinderbijslag, behoudens voor zover dit dient tot verhaal van een uitkering tot levensonderhoud van het kind, of tot terugvordering van onverschuldigd betaalde kinderbijslag, niet vatbaar is voor executoriaal of conservatoir beslag, noch voor beslag ingevolge faillissement of toepassing van de schuldsaneringsregeling natuurlijke personen.
jegens dezelfde wederpartijen hij bevoegd is zowel tot betaling van de schuld als tot het afdwingen van de betaling van de vordering. [26] Voor het bestaan van verrekeningsbevoegdheid is daarmee onder meer vereist dat de bij de verrekening betrokken partijen over en weer elkaars schuldeiser en schuldenaar zijn (wederkerig schuldenaarschap).
NJ1997/497 ging het over de mogelijkheid van verrekening van verbeurde dwangsommen met kinderalimentatie. In deze procedure vorderde de alimentatieplichtige man (i) veroordeling van de vrouw tot nakoming van een omgangsregeling op straffe van een dwangsom, alsmede (ii) machtiging om door de vrouw verbeurde dwangsommen te verrekenen met de door hem ten behoeve van de kinderen te betalen alimentatie. Het hof had de gevraagde machtiging geweigerd, omdat volgens het hof niet voldaan was aan het wederkerigheidsvereiste van art. 6:127 BW Pro: de vrouw zou de kinderalimentatie als verzorgster en opvoedster van de kinderen hebben ontvangen, maar de dwangsommen in privé verschuldigd zijn. In cassatie betoogde de man dat de vrouw ook bij het weigeren de omgangsregeling na te komen, mede handelde in haar kwaliteit van verzorgster en opvoedster van de kinderen. De Hoge Raad verwierp die klacht met de overweging dat de vrouw in persoon tot nakoming van de omgangsregeling was veroordeeld en ook in persoon de dwangsom verbeurt als zij in gebreke blijft aan die veroordeling te voldoen. Verder werd in een overweging ten overvloede het volgende overwogen: [29]
het kind, terwijl de dwangsom tot doel heeft om druk uit te oefenen op de persoon van
de moeder. Anders gezegd: beslag op kinderalimentatie leidt ertoe dat het kind lijdt onder het gedrag van de moeder, waardoor het beslag naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar kan zijn.
NJ1997/497 – de kinderalimentatie bestemd is voor de verzorging en opvoeding van
het kind, terwijl de dwangsom tot doel heeft om druk uit te oefenen op de persoon van
de moeder.
Art. 6:135 BW Pro
‘teneinde te voorkomen dat deze uitkeringen aan haar bestemming worden onttrokken’. [33]
NJ1997/497. Hij schrijft daarin het volgende: [34]
Deze toepassing van de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid acht ik gelukkig. De kinderalimentatie moet worden uitgekeerd ‘ten behoeve van het kind’, aldus art. 1:406 lid Pro 1; zie ook art. 1:408 lid Pro 11 (de opvolger van art. 1:240 lid 2 oud Pro) wat betreft invordering door het Landelijk Bureau Inning onderhoudsbijdragen (LBIO). M.i. mag wel worden aangenomen dat verrekening met kinderalimentatie in beginsel onaanvaardbaar moet worden geacht. Maar misschien heeft de moeder zelf een zo ruime draagkracht dat het kind in geen geval iets tekort komt.”
voor zoverdie verrekening zich zou uitstrekken over de beslagvrije voet (zie art. 475b lid 1 in verbinding met 475c, aanhef en onder f, BW). [35] Zie bijvoorbeeld Klomp: [36]
Art. 475 e.v. Rv geeft een algemene regeling van gevallen waarin een beslagvrije voet door de wetgever is bepaald. Enkele bijzondere regelingen zijn (…). Ingevolge de meeste van bovenstaande bepalingen is beslag voor een deel (in beginsel niet meer dan één tiende van de bijstandsnorm, zie art. 475a e.v. Rv) mogelijk. Dientengevolge is ook verrekening voor dat deel mogelijk. (…)
altijd– dat verrekening geen misbruik van recht mag opleveren en naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet onaanvaardbaar mag zijn. Bij de beoordeling of dat zich voordoet, zal onder ogen moeten worden gezien dat het gaat om
kinderalimentatie, dat bestemd is voor de verzorging en opvoeding van het kind, en dat het belang van het kind niet in het gedrang mag komen. Dit brengt met zich mee dat in het algemeen terughoudend zal moeten worden omgegaan met verrekening met of executoriaal eigenbeslag op kinderalimentatie. In aansluiting op de hiervoor besproken noot van De Boer zou ervan uit kunnen worden gegaan dat – ook als de beslagvrije voet in aanmerking is genomen – verrekening of executoriaal eigenbeslag niet is toegestaan indien daardoor het belang van het kind wordt aangetast. Verder zullen bij de beoordeling alle omstandigheden van het geval moeten worden meegewogen. Te denken is aan de aard van de vordering waarmee verrekend wordt (of, zoals in het onderhavige geval, de aard van de vordering waarvoor executoriaal eigenbeslag wordt gelegd).
onderdeel B van klacht 1,
onder ain dat het hof ten onrechte niet heeft beoordeeld of de aldus
‘op verrekening neerkomende althans vergelijkbare handelwijze’van de man naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar moet worden geacht. Ter toelichting wordt erop gewezen dat de vrouw in grief 5 het uitgangspunt van de voorzieningenrechter, dat beslag op kinderalimentatie in beginsel uit den boze is, had onderschreven. Verwezen wordt verder naar HR 24 januari 1997,
NJ1997/497. Verder klaagt het onderdeel
onder bdat het hof op onbegrijpelijke dan wel onvoldoende gemotiveerde wijze heeft geoordeeld dat deze handelwijze van de man naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet onaanvaardbaar moet worden geacht.
verhoogd(zie art. 475d lid 4 Rv); de schuldenaar moet aantonen dat er een reden is om de beslagvrije voet te verhogen. [38] Op grond van art. 475d lid 6 Rv wordt de beslagvrije voet
verminderdmet, voor zover thans van belang, de voor beslag vatbare periodieke inkomsten van de schuldenaar waarop geen beslag ligt. Dat betekent dat als beslag is gelegd op een vordering tot periodieke betaling en de schuldenaar buiten deze vordering waarop het beslag rust een (niet beslagen) inkomen heeft dat ten minste gelijk is aan de voor deze schuldenaar geldende beslagvrije voet, het volledige bedrag onder het beslag valt.