Conclusie
1.Feiten
.
2.Procesverloop
3.Bespreking van het cassatiemiddel
eerste onderdeel, dat bestaat uit drie subonderdelen, richt zich tegen rov. 2.2 van het eindarrest van 16 april 2019. Deze rechtsoverweging luidt als volgt:
streefregeling gebaseerd op een eindloonsystematiek’ behelst en niet een zuivere eindloonregeling met gegarandeerde aanspraken (rov. 4.23). Vervolgens heeft het hof partijen in de gelegenheid gesteld om zich uit te laten over de gevolgen van dit oordeel over de aard van de (toegezegde) pensioenregeling, voor de vorderingen onder III en IV van [eiser] , ‘
in het bijzonder ook met betrekking tot de vraag of de pensioenen op de datum van beëindiging van de dienstbetrekking voldoende waren voor de gedane pensioentoezegging, waaronder de toegezegde jaarlijkse stijging van 2% (samengesteld)’ (rov. 4.24).
‘dat de vorderingen van [eiser] met het oog op diens (vergeefs) bepleite standpunt van een zuivere eindloonregeling in de memorie van grieven waren toegespitst op het daartoe sluiten van aanvullende verzekeringen’.Het hof heeft [eiser] in de gelegenheid gesteld bij akte de formulering van zijn vorderingen sub III en IV aan te passen (rov. 2.13). Voor wat betreft de hoogte van de rente waarmee gerekend moet worden (3,5% volgens [eiser] en 4% volgens Freecrown) overweegt het hof dat [eiser] nog geen gelegenheid heeft gehad om te reageren op de hierover laatstelijk door Freecrown ingenomen standpunten en producties en dat hij in de gelegenheid wordt gesteld dit alsnog bij akte te doen (rov. 2.15). Ten slotte overweegt het hof in rov. 2.18 dat [eiser] onweersproken heeft gesteld (en ook is vermeld in de pensioenbrief) dat de hoogte van het toegezegde weduwenpensioen 70% van de pensioengrondslag is en niet 70% van het ouderdomspensioen.
eerste subonderdeelricht zich tegen het in rov. 2.2 neergelegde oordeel van het hof dat de in de akte van 10 augustus 2018 (bedoeld zal zijn de akte van 7 augustus 2018) opgenomen eiswijziging niet toelaatbaar is. Het subonderdeel betoogt
primairdat geen sprake is van een eiswijziging, omdat de grondslag van de vordering ongewijzigd is gebleven, waaraan niet afdoet dat dit leidt tot een ander bedrag dan aanvankelijk in de memorie van grieven is genoemd. Dit geldt temeer nu [eiser] door het hof was uitgenodigd om zijn vorderingen aan te passen.
Subsidiairwordt betoogd dat geen sprake is van strijd met de goede procesorde, althans is het oordeel van het hof dat daarvan sprake is onvoldoende gemotiveerd. Het hof legt aan het buiten beschouwing laten van de eiswijziging slechts ten grondslag dat de eerdere eiswijziging in strijd met de goede procesorde is geacht. Dit is ontoereikend. Het hof had moeten beoordelen of de gewijzigde eis in het licht van de actuele omstandigheden van het geval in strijd met de goede procesorde was, zoals volgt uit de uitspraak van de Hoge Raad van 15 september 2017. [20]
dit puntzijn vorderingen aan te passen. De gelegenheid tot het aanpassen van de formulering van de vorderingen III en IV zag slechts op het feit dat die vorderingen waren gebaseerd op de gedachte dat de toegezegde pensioenrechten een zuivere eindloonregeling met gegarandeerde pensioenaanspraken inhielden, terwijl volgens het hof sprake was van een streefregeling gebaseerd op een eindloonsystematiek (rov. 4.23 van tussenarrest 29 augustus 2017). Dit maakte dat de vorderingen III en IV – die strekten tot het afsluiten van aanvullende verzekeringen – moesten worden geherformuleerd in vorderingen die strekten tot affinanciering. Voor wat betreft de
hoogtevan de bedragen waarmee gerekend moest worden, kon het hof in beginsel uitgaan van de bedragen waarop de in de memorie van grieven neergelegde vorderingen waren gebaseerd (€ 22.005,- voor het ouderdomspensioen en € 15.405,- voor het nabestaandenpensioen). Daarmee faalt het primaire standpunt in het eerste subonderdeel.
aan te passen, maar dat de wijze waarop [eiser] de vorderingen III en IV in zijn akte van 7 augustus 2018 heeft weergegeven, niet is aan te merken als een ‘aanpassing’ zoals bedoeld in het arrest van 12 juni 2018. Zoals gezegd, ging het daarbij alleen om een herformulering in verband met de omstandigheid dat [eiser] had gevorderd dat Freecrown zou worden veroordeeld om een aanvullende verzekering af te sluiten, terwijl het volgens het hof zou moeten gaan om een vordering tot affinanciering (rov. 2.13 van het tussenarrest van 12 juni 2018, hiervoor weergeven onder 3.12). Uitdrukkelijk overweegt het hof dat [eiser] niet tot meer was toegelaten dan het (met het oog daarop)
herformulerenvan zijn eis. Dit oordeel is niet onjuist en ook zeker niet onbegrijpelijk.
Uw hof heeft de pensioenaanspraken van [eiser] zijnde een ouderdomspensioen van € 22.005 en een nabestaandenpensioen van € 15.404 als gewijzigde vordering aanvaard (…).” Hieruit is af te leiden dat [eiser] dit als een gegeven beschouwt voor zijn verdere uiteenzettingen. Verderop in de tekst stelt hij weliswaar dat de berekeningen van Aegon niet kloppen omdat (i) verzuimd is de eindejaarsuitkering van 5% te betrekken bij de pensioengrondslag (waardoor gerekend moet worden met een bedrag van € 22.005,- in plaats van € 21.056,51) en (ii) dat voor het nabestaandenpensioen een foutieve grondslag is gehanteerd, namelijk 70% van het ouderdomspensioen in plaats van 70% van de pensioengrondslag. [29] Hij koppelt hieraan echter geen duidelijke eiswijziging of eisvermeerdering. Die is ook bepaald niet te destilleren uit de grote hoeveelheid stellingen en argumenten. Ook Freecrown heeft dat er niet in gelezen, blijkens haar reactie op deze akte. Voor wat betreft het gestelde onder (i) was een eiswijziging trouwens ook niet aan de orde, omdat € 22.005,- al het bedrag was waarvan het hof uitging. In het tussenarrest van 12 juni 2018 heeft het hof weliswaar herhaald dat moet worden uitgegaan van € 22.005,-, maar over het toelaten van een eiswijziging in verband met stelling (ii) is in het tussenarrest niets te lezen, ook niet in rov. 2.18.
tweede subonderdeelis gericht tegen de laatste twee zinnen van rov. 2.2. Aangevoerd wordt dat de overweging dat ‘
de opmerking onder rechtsoverweging 2.18 van het tussenarrest, waarin ten onrechte wordt gerefereerd aan een nabestaandenpensioen van 70% van de pensioengrondslag, bij de beoordeling verder buiten beschouwing zal blijven’, rechtens onjuist dan wel onbegrijpelijk is, omdat het hof in rov. 2.18 van het arrest van 12 juni 2018 ondubbelzinnig en zonder voorbehoud heeft beslist dat de hoogte van het weduwenpensioen 70% van de pensioengrondslag bedraagt en niet 70% van het ouderdomspensioen. Het gaat hier dus niet zomaar om ‘een opmerking’, maar om een bindende eindbeslissing waarop het hof niet, althans niet zonder partijen daarover eerst de gelegenheid te geven zich uit te laten, mocht terugkomen. Uitgaande van de juistheid van het bedrag van € 22.005,- voor zowel het ouderdomspensioen als het nabestaandenpensioen, zijn de rov. 2.4, 2.5 en 2.6 eveneens onjuist, althans onbegrijpelijk.
derde subonderdeel(procesinleiding onder 2.5-2.7) is gericht tegen rov. 2.6 van het eindarrest van 16 april 2019, waarin het hof oordeelt dat de vorderingen III en IV zullen worden afgewezen. De overwegingen die het hof hieraan ten grondslag legt kunnen als volgt worden samengevat (rov. 2.4-2.6).
* Affinanciering per ontslagdatum is dus niet aan de orde;
* Aegon had dat al eerder berekend in de e-mail van [betrokkene 2] van 26 juli 2007 (benodigd op pensioendatum € 396.940,28, premievrij opgebouwd € 440.217,11) en heeft dat herhaald in haar brief van 29 mei 2013 aan [eiser] en haar e-mail van 24 december 2013
(“Er is geen affinanciering verschuldigd omdat de premievrije waarde van de pensioenverzekering [002] ruim hoger is dan de tijdsevenredige rechten").
tweede onderdeelricht zich tegen rov. 2.3 van het arrest van 16 april 2019, waarin het hof de stelling van [eiser] verwerpt dat uitgegaan moet worden van de marktrente of van een rente van 3,5% of 3,7%. De overweging luidt als volgt:
nabeëindiging van het dienstverband voor risico van de werknemer is. Dat oordeel bouwt voort op het eerdere oordeel van het hof in rov. 4.23 van het tussenarrest van 29 augustus 2017 dat geen sprake is van gegarandeerde pensioenaanspraken (ook in geval van tussentijdse beëindiging van het dienstverband), maar dat het gaat om een streefregeling gebaseerd op een eindloonsystematiek. Dat oordeel staat in cassatie niet ter discussie.
derde onderdeelbevat een veegklacht en behoeft geen bespreking.