Conclusie
Feiten en omstandigheden
productie 2). Op 1 februari 2017 is een nieuwe arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd aangegaan met beoogde einddatum 15 april 2018 (
productie 3).
productie 4):
"die markt’’(uit de verdere verklaring van [werkgever] en de e-mail van 10 april 2018 begrijpt het hof: de markt in [plaats] ) kon overnemen. Daarover hebben zij volgens [werkgever] overeenstemming bereikt, waarna [werknemer] heeft bevestigd dat hij voor zichzelf zou beginnen en op zoek zou gaan naar een verkoopwagen. In dat verband hebben partijen 15 april 2018 als einddatum afgesproken en heeft [werkgever] de markt(standplaats) in [plaats] eind maart 2018 opgezegd, aldus [werkgever] op de mondelinge behandeling.
“zelf”te proberen en heeft hij daarover met [werkgever] gesproken. In vervolg daarop heeft hij op 13 april 2018 zonder meer uitvoering gegeven aan de suggestie en het verzoek van [werkgever] van 10 april 2018 om de op naam van [werkgever] uitgegeven sleutel van de stroomkast op het marktplein in [plaats] door de gemeente [plaats] op zijn naam te laten uitreiken. Daarnaast heeft [werknemer] aan derden verteld over zijn vertrek bij [werkgever] om voor zichzelf te beginnen (verweerschrift van [werkgever] in eerste aanleg, producties 2 tot en met 6: verklaringen van [betrokkene 2] en [betrokkene 3] , [betrokkene 4] , [betrokkene 5] , [betrokkene 6] en [betrokkene 1] ). De rode draad door deze verklaringen is dat hij aan deze personen voor 15 april 2018 zonder voorbehoud heeft meegedeeld hij bij [werkgever] stopt, dan wel ontslag had genomen om voor zichzelf te beginnen. In enkele van die verklaringen wordt ook gemeld dat hij al een verkoopwagen had gekocht, daarvan een of meer foto’s had laten zien, dat hij de markt in [plaats] zou overnemen en zelf op zoek zou gaan naar andere markten.
2.Bespreking van het cassatieberoep
Inleiding
nietgesteld door werknemer of vastgesteld door het hof:
te wijten is aan een inlichting van werkgeverin de zin van art. 6:228 lid 1 sub a BW Pro;
condicio sine qua non-verband tussen deze rechtsdwaling bij werknemer en zijn plannen voor een zelfstandige toekomst.
“en waarbij [werknemer] de datum 15 april 2018 in het achterhoofd had”) betekent dan volgens het hof niet dat – zonder deze (rechts)dwaling –werknemer zijn plannen voor een zelfstandige toekomst niet zou hebben gemaakt of gewild. Kennelijk en niet onbegrijpelijk heeft het hof de stellingen en verklaringen van werknemer niet aldus opgevat dat hij stelt dat er sprake is van een causaal verband tussen zijn (rechts)dwaling en zijn plannen voor een zelfstandige toekomst. Zie in dat verband ook de zesde en zevende volzin van rov. 5.1: daar overweegt het hof dat gesteld noch gebleken is dat werkgever begreep of moest begrijpen dat het punt waaromtrent werknemer dwaalde voor hem mede van doorslaggevende betekenis was voor zijn opzegging. Ik kom daar bij de bespreking van onderdeel 3 nog op terug.
ondanksde conclusie die hij zonder meer verbond aan de uitlatingen van werkgever tijdens diens bezoeken aan hem op verschillende markten. Hooguit zou hier de gedachte kunnen postvatten of hier niet nader onderzoek van werkgever had mogen worden verwacht, waarbij mogelijk aan het licht was gekomen dat werknemer dacht dat sprake was van een “aflopende zaak” wat de werkgever betreft. Maar een dergelijke klacht ligt volgens mij niet in het middel besloten (en als dat wel zo moet worden opgevat, dan zou hierop gecasseerd kunnen worden [32] ). De zaak is casuïstisch afgedaan door het hof en dat bedoel ik niet diffamerend: wat niet kenbaar wordt gemaakt aan de wederpartij, zei ik hiervoor al, kan door deze ook niet worden meegewogen.
op de voet van een aan werkgever aan te rekenen misvattingof
ten gevolge van een onjuiste mededeling van werkgeverover het einde van de arbeidsovereenkomst bezig was zijn toekomst als zelfstandige te plannen. Er is immers van zo’n aanrekenen aan werkgever of een onjuiste mededeling van hem hier geen sprake, zoals we hebben gezien. Ook overigens is dit feitelijke oordeel in mijn ogen niet onbegrijpelijk.
“deze feitenvaststelling”ten onrechte buiten de rechtsstrijd is getreden, omdat partijen niet hebben aangevoerd dat die mededelingen door die conclusie zijn ingegeven.
subonderdeel 3.1blijkt uit deze rechtsoverwegingen dat het hof voor de verwerping van het dwalingsberoep betekenis heeft toegekend aan het gegeven dat geen feiten en omstandigheden zijn gesteld waaruit kan worden afgeleid of anderszins is gebleken dat aan werkgever kenbaar was of behoorde te zijn dat de beleving van werknemer dat zijn arbeidsovereenkomst op 15 april 2018 zou eindigen (mede) van betekenis was om aan werkgever mee te delen dat hij zou vertrekken om voor zichzelf te beginnen en dat werknemer die mededelingen achterwege had gelaten wanneer werkgever hem over de juiste looptijd van zijn arbeidsovereenkomst had geïnformeerd of wanneer hij die op andere wijze zou kennen
.Door daar betekenis aan toe te kennen heeft het hof volgens de klacht ten onrechte geoordeeld dat voor een geslaagd dwalingsberoep van belang is of de wederpartij wist of behoorde te weten dat er werd gedwaald.
subonderdeel 3.2onbegrijpelijk, aangezien dan niet valt in te zien waarom het hof de bestreden passages heeft overwogen.