Conclusie
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
CONCLUSIE
red outeen uiterst zeldzaam fenomeen is, met bepaalde symptomen. Op basis van de zich in het dossier bevindende rapporten en in het bijzonder gelet op het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep, op welke terechtzitting twee deskundigen hieromtrent zijn gehoord, is het hof niet aannemelijk geworden dat er bij verdachte sprake is geweest van een
red out,nu bij verdachte de voor een red out kenmerkende symptomen, zoals herinneringseilandjes, een krimpingspatroon en bronverwarringsfouten, niet zijn geconstateerd. Daarnaast is de periode van het door verdachte gestelde geheugenverlies (enkele uren) veel langer dan passend is bij een
red out(namelijk enkele seconden tot enkele minuten). Van een stoornis bij de verdachte ten tijde van zijn handelen, waardoor ieder inzicht in de draagwijdte van zijn gedragingen en de mogelijke gevolgen daarvan zou hebben ontbroken, is het hof niet gebleken, zodat dit niet aan de bewezenverklaring van het opzet in de weg staat.
red outen daarmee eventueel samenhangende dissociatieve symptomen. Daarbij merkt het hof nog op dat geen van de deskundigen tot een (volledige) ontoerekeningsvatbaarheid concludeert op grond waarvan een ontslag van rechtsvervolging zou dienen te volgen. Er zijn ook overigens geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezen verklaarde.
eerste middelbevat twee deelklachten. De eerste klacht betreft het bewijs van opzet en luidt als volgt:
eerste middelfaalt in beide onderdelen
tweede middelklaagt dat het hof bij schadevergoedingsmaatregel ten onrechte 101 dagen vervangende hechtenis heeft opgelegd. In de toelichting op het middel wordt aangesloten bij de conclusie van mijn ambtgenoot Harteveld van 10 maart 2020, ECLI:NL:PHR:2020:207.