Conclusie
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
CONCLUSIE
eerstemiddel komt met diverse deelklachten op tegen het bewezenverklaarde medeplegen van een poging tot doodslag.
Het oordeel van het hof
- een machinegeweer, merk Zastava AK-47 [AAER0451NL];
- een patroonmagazijn uit voornoemd machinegeweer [AAER0450NL];
- een patroon uit de kamer van het automatische hand vuurwapen, merk Sellier&Bellot Luger [AAER0456NL];
- acht hulzen S&B 7.62x39 [AAGT3415NL tot en met -22NT].
Vervolgens zal bezien moeten worden of de ten laste gelegde deelnemingsvorm medeplegen kan worden bewezen verklaard.
verklaart dat hij op een gegeven moment scherp naar rechts heeft gestuurd (naar de Beatrixweg) en dat hij toen links voor zijn auto vonken op het wegdek zag. “Als ik niet naar rechts was gestuurd, waren een aantal kogels in mijn auto geslagen”, aldus [slachtoffer 1]. Op het wegdek in de nabije omgeving van T-splitsing John F. Kennedybaan met de Beatrixweg zijn ook vele hulzen gevonden waarvan een flink aantal afkomstig vanuit de Volkswagen Jetta. Voorts leidt het hof af uit de verklaringen van [slachtoffer 1] en getuige [getuige 1], alsook uit het technisch onderzoek, waaruit is gebleken dat er aan de onderzijde van de kofferdeksel aan de achterzijde van de BMW een perforatie is aangetroffen waarachter zich een restant van een gedeformeerde koperen volmantel bevond, dat de BMW op enig moment ook daad werkelijk is geraakt.
Daarnaast kon verdachte zich niet onttrekken aan de situatie waarin hij verzeild was geraakt. Ook had verdachte geen wetenschap van de aanwezigheid van wapens,
Het hof acht haar verklaringen dan ook voldoende geloofwaardig en betrouwbaar om deze voor het bewijs te gebruiken.
Het hof acht deze verklaring evenwel niet concreet, volstrekt onverifieerbaar en in strijd met de bewijsmiddelen en aldus ongeloofwaardig en neemt deze niet als uitgangspunt bij de vaststelling van de feiten. Het hof gaat aan deze lezing van de verdachte voorbij.
gerichtop de BMW is geschoten of dat is gepoogd ‘en/of (een) ander(en)’ van het leven te beroven.
“voor haar duidelijk [was] dat de VW Jetta en de achterste auto de BMW iets wilden aandoen” niet tot het bewijs gebezigd had mogen worden, aangezien de eis van waarneming en ondervindingen, conclusies en/of gissingen uitsluit. Deze klacht faalt. Voormelde opmerking van de getuige betreft, gezien haar gedetailleerde verklaring over hetgeen zij heeft waargenomen ten tijde van het incident en mede in aanmerking genomen hetgeen ik heb vooropgesteld, m.i. namelijk geen ongeoorloofde conclusie of gissing. Dat het voor haar duidelijk was dat de Volkswagen Jetta en de achterste auto de BMW
“iets wilden aandoen”, geeft immers de gedachten en gevoelens bij de getuige [getuige 1] weer die waren ontstaan naar aanleiding van de door haar gerelateerde waarnemingen. Dat het hof een dergelijke, door een getuige gemaakte opmerking tot het bewijs heeft gebezigd, acht ik dan ook niet onbegrijpelijk. Maar zelfs indien sprake zou zijn van een ten onrechte door de getuige getrokken- en niettemin voor het bewijs gebruikte conclusie, leidt dat niet tot cassatie. In het licht van de overige bewijsmiddelen kon het hof immers oordelen dat die conclusie terecht was getrokken. [5] In zoverre faalt het middel.
“niet concreet, volstrekt onverifieerbaar en in strijd met de bewijsmiddelen en aldus ongeloofwaardig [acht]”. Dat oordeel acht ik – mede in aanmerking genomen de hieromtrent gebezigde bewijsmiddelen en bewijsoverwegingen, in samenhang bezien – niet onbegrijpelijk en voldoende met redenen omkleed. Daarbij is van belang dat de feitenrechter de feiten vaststelt en zijn oordeel hieromtrent in cassatie slechts op begrijpelijkheid kan worden getoetst.
gerichtop de BMW is geschoten, zodat het oordeel van het hof dat de verdachte bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard op de dood van de inzittenden van de BMW, niet begrijpelijk is. Aan beide klachten wordt wederom niet meer of anders ten grondslag gelegd dan hetgeen ter terechtzitting van het hof namens de verdachte is aangevoerd. Voor zover aldus wordt geklaagd over de vraag of het hof de feiten juist heeft vastgesteld, laat ik die klachten in het navolgende onbesproken. In cassatie kan immers alleen worden getoetst of de rechter bij zijn onderzoek en beslissing de daarvoor geldende regels in acht heeft genomen en of zijn oordeel begrijpelijk is.
iets” uit de rechter zijramen van de Jetta gestoken. Het deed de aangever denken aan een AK47 en hij verklaart dat dit te weten, omdat hij vaak oorlogsspellen speelt. Nadat hij met een botsing tot stilstand was gekomen, zeiden de mensen die naast zijn auto verschenen dat er geschoten was en dat de twee auto’s waren weggereden. [7] De getuige [getuige 1] heeft voorts verklaard dat zij drie auto’s achter elkaar zag rijden en dat de voorste auto een Volkswagen Jetta was met daarin twee personen. Zij verklaart – kort gezegd – dat vanuit de Volkswagen Jetta door de bijrijder met een wapen dat deed denken aan een machinegeweer en dat buiten de auto hing, werd geschoten
“achterom richting de BWM gericht
”. [8] Voorts overweegt het hof dat gelet op de korte afstand tussen de auto’s de aanmerkelijk kans is ontstaan dat de schutter door vanuit de Jetta te schieten op de BMW één of meer van de in de tenlastegelegde personen dodelijk zou raken. Voorts heeft de aangever [slachtoffer 1] hieromtrent verklaard dat hij op een gegeven moment scherp naar rechts heeft gestuurd en dat hij toen links voor zijn auto vonken op het wegdek zag. Ook geeft hij aan dat indien hij dat niet had gedaan, er een aantal kogels in zijn auto waren geslagen. In de buurt van de plaats van het incident zijn op het wegdek ook vele hulzen gevonden, waarvan een flink aantal afkomstig waren uit de Jetta.
en/of (een) ander(en)”, te weten de vierde inzittende in de BWM, maar dat het ten aanzien van de strafoplegging overweegt dat de verdachte door zijn ‘schietgedrag’ risico’s in het leven heeft geroepen voor de medeweggebruikers, waaronder schoolgaande kinderen. De steller van het middel maakt hieruit op dat die ander of anderen als genoemd in de bewezenverklaring, zien op die medeweggebruikers en schoolgaande kinderen, terwijl uit de bewijsmiddelen niet blijkt dat de verdachte ten aanzien van die medeweggebruikers, waaronder de schoolgaande kinderen, (voorwaardelijk) opzet op hun dood had. Deze klacht mist feitelijke grondslag nu het hof de onaanvaardbare risico’s die de verdachte voor overige weggebruikers in het leven heeft geroepen niet heeft bewezenverklaard, maar als omstandigheid waaronder het feit is begaan bij de straftoemeting heeft betrokken.
tweede middelklaagt over de kwalificatie van het onder 2 bewezenverklaarde.
meermalen gepleegd", aangezien het bewezenverklaarde in zoverre slechts één overtreding van het in art. 26, eerste lid, WWM vervatte verbod oplevert.
en/ofcategorie III, zoals in de onderhavige zaak het geval is, is het arrest van de Hoge Raad van 29 maart 2005, ECLI:NL:HR:2005:AS6030, van belang. In dit arrest heeft de Hoge Raad onder 3.4. het volgende overwogen: