Conclusie
5.Het eerste middel
1°. op ambtenaren en beambten, die krachtens besluit van de Minister van Justitie, hierna te noemen: de minister, een wapen bij zich mogen hebben;
Parket bij de Hoge Raad
De verdachte, een hoofdagent van politie op Sint Maarten, werd buiten functie gesteld op 14 juli 2011 en zijn dienstvuurwapen werd in bewaring genomen. Desondanks werd op 20 november 2013 bij een huiszoeking in zijn woning een dienstvuurwapen van het merk Walther PPK en diverse munitie aangetroffen. De verdachte beschikte niet over een vergunning voor het bezit van vuurwapens.
Het Gemeenschappelijk Hof van Justitie veroordeelde de verdachte op 12 januari 2017 wegens overtreding van het verbod op het voorhanden hebben van vuurwapens en munitie. De verdachte stelde cassatieberoep in met twee middelen, waaronder het betoog dat hij als politieagent bevoegd was het wapen te bezitten en dat hij niet met opzet handelde.
De Advocaat-Generaal concludeerde tot verwerping van het cassatieberoep. De Hoge Raad bevestigde dat de uitzondering voor politieagenten op het verbod op het bezit van vuurwapens niet meer gold nadat de verdachte buiten functie was gesteld en zijn uitrusting had moeten inleveren. Ook werd geoordeeld dat bewuste schuld voldoende was voor bewezenverklaring, ook zonder opzet. Beide middelen faalden, en het cassatieberoep werd verworpen.
Uitkomst: Het cassatieberoep van de geschorste politieagent werd verworpen en zijn veroordeling voor het onrechtmatig bezit van een vuurwapen en munitie bevestigd.