Conclusie
de facto relationship’, dat wat de afstammingsrechtelijke gevolgen betreft naar het recht van Nieuw- Zeeland gelijk is te stellen aan een huwelijk. In cassatie klaagt de Staat dat dit oordeel onbegrijpelijk is, en dat de erkenning van de familierechtelijke betrekking in strijd is met de Nederlandse openbare orde, omdat de Nederlandse man ten tijde van de geboorte van verzoekster was getrouwd met een andere vrouw dan de moeder van verzoekster.
de facto relationship’), gelijk gesteld aan een huwelijk. De rechtbank baseert zich op de door verzoekster overgelegde informatie van de
New Zealand Law Societyen op art. 2, sub a, van de
Status of Children Amendment Act 1987en art. 5 sub Pro 1 van de
Status of Children Act 1969.
family life.
2.Bespreking van het cassatiemiddel
onder 3) klaagt dat het oordeel van de rechtbank over het Nieuw-Zeelandse recht onvoldoende begrijpelijk is gemotiveerd. Geklaagd wordt dat de
Status of Children Amendment Actniet ziet op personen als verzoekster en dat de definitiebepaling van art. 2 sub a van Pro de
Status of Children Amendment Act 1987alleen betrekking heeft op die specifieke wet en niet is bedoeld als verruiming van de gevallen waarop art. 5 sub Pro 1 van de
Status of Children Act 1969ziet. Die laatste bepaling is volgens het middel in dit geval niet relevant, omdat zij betrekking heeft op getrouwde vrouwen, terwijl vaststaat dat de moeder van verzoekster niet getrouwd was ten tijde van de geboorte van verzoekster. Verder klaagt het middel dat de verwijzing naar de informatie van de
New Zealand Law Societyhet oordeel niet begrijpelijk maakt, omdat uit die informatie niet blijkt of zij ziet op het in 1992 (het moment van geboorte van verzoekster) geldende recht. De omstandigheid dat in het geval van feitelijk samenwonen een bepaalde wet van toepassing wordt, betekent nog niet dat daarmee een feitelijke relatie of een feitelijk samenwonen gelijk wordt gesteld aan een huwelijk, aldus de klacht.
de facto relationshipworden geboren gelijk worden gesteld aan kinderen die uit een huwelijk worden geboren. De klachten zijn gericht tegen de motivering van het oordeel van de rechtbank over het recht van Nieuw-Zeeland. Dit oordeel komt overeen met hetgeen verzoekster in haar inleidend verzoekschrift heeft gesteld over de inhoud en uitleg van het Nieuw-Zeelandse recht [3] , hetgeen de Staat niet heeft bestreden. Het middel verwijst ook niet naar plaatsen in het dossier in feitelijke instantie waar de Staat de stellingen van verzoekster over de inhoud van het Nieuw-Zeelandse recht zou hebben bestreden. In feitelijke instantie heeft de Staat slechts gesteld dat dit recht ‘geen onderscheid [maakt] tussen wettige en onwettige kinderen (art. 3
Status of Children Act)’. [4] De rechtbank heeft overwogen dat de man en de vrouw die samenleven als waren zij gehuwd, volgens het recht van Nieuw Zeeland gelijkgesteld worden aan gehuwden en dat de man die samenleeft met de moeder van het kind ten tijde van de conceptie en de geboorte wordt aangemerkt als de vader van het kind. De rechtbank heeft voorts overwogen dat naar het recht van Nieuw-Zeeland geen onderscheid wordt gemaakt tussen kinderen die tijdens een samenlevingsrelatie worden verwekt en geboren, en kinderen van gehuwde ouders. [5] In het licht van het door partijen gevoerde debat is het oordeel van de rechtbank niet onbegrijpelijk, zodat de klachten falen.
onder 4) klaagt dat de rechtbank blijk van een onjuiste rechtsopvatting heeft gegeven door te oordelen dat de volgens Nieuw-Zeelands recht bij de geboorte van verzoekster tot stand gekomen familierechtelijke betrekking tussen verzoekster en de vader in Nederland kan worden erkend en leidt tot het Nederlanderschap.
onder 4.1) bouwt voort op de motiveringsklacht (onder 3) over de toepassing van het recht van Nieuw-Zeeland en deelt het lot daarvan.
onder 4.2) wijst erop dat de rechtbank heeft onderkend dat de vraag of de familierechtelijke betrekking tussen verzoekster en de vader in Nederland kan worden erkend, moet worden beantwoord aan de hand van art. 10:101 BW Pro in samenhang met art. 10:100 BW Pro. Het middel (
onder 4.3) betoogt dat de rechtbank in het vervolg van haar beschikking die juiste wijze van beoordeling heeft miskend althans onvoldoende begrijpelijk heeft gemotiveerd. Deze klacht wordt onder 4.4-4.12 uitgewerkt.
onder 4.4 en 4.5) betoogt dat de erkenning van de familierechtelijke rechtsbetrekking van de vader met verzoekster moet afstuiten op de weigeringsgrond van de openbare orde, omdat de vader van verzoekster ten tijde van haar geboorte getrouwd was met een andere vrouw dan de moeder van verzoekster, zodat een afstammingsrelatie bij geboorte uit een ‘de facto relationship’ niet leidt tot het Nederlanderschap. Het middel wijst in dit verband op de rechtspraak over de erkenning in Nederland van (afstammingsrelaties voortvloeiend uit) polygame huwelijken. Verder betoogt het middel dat voor de toetsing van de erkenning aan de openbare orde niet relevant is dat verzoekster met haar ouders samenleefde in een feitelijke gezinssituatie.
de facto relationshiptussen een man en een vrouw die naar het recht van Nieuw-Zeeland weliswaar gelijkgesteld wordt met een huwelijk, maar enkel voor zover het gaat om de daaruit voortvloeiende afstammingsbetrekkingen.
onder 4.6-4.11) bouwt ten dele op het voorafgaande voort met het betoog dat ‘family life’ niet relevant is voor de verkrijging van het Nederlanderschap. Verder stelt het middel zich op het standpunt dat de onderhavige familierechtelijke betrekking moet worden vergeleken met de Nederlandse rechtsfiguur van de erkenning door de vader, waarvan de erkenning in de Nederlandse rechtsorde afstuit op de openbare orde wegens strijd met het destijds geldende erkenningsverbod voor de gehuwde man. Ook klaagt het middel dat de rechtbank ten onrechte het begrip ‘wettig kind’ hanteert, terwijl dit begrip in de in 1992 geldende versie van de RWN al niet meer werd gebruikt.