ECLI:NL:PHR:2020:618

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
19 juni 2020
Publicatiedatum
19 juni 2020
Zaaknummer
19/05283
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 17 RWNArt. 3 lid 1 RWNArt. 1 lid 1 onder d RWNArt. 10:100 BWArt. 10:101 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt erkenning Nieuw-Zeelandse familierechtelijke betrekking voor Nederlanderschap

Deze zaak betreft een verzoek tot vaststelling van het Nederlanderschap van een in 1992 geboren vrouw (verzoekster) op grond van artikel 17 van Pro de Rijkswet op het Nederlanderschap (RWN). Verzoekster is geboren uit een relatie die volgens Nieuw-Zeelands recht gelijkgesteld wordt aan een huwelijk, hoewel haar vader ten tijde van haar geboorte nog gehuwd was met een andere vrouw.

De rechtbank Den Haag stelde vast dat de familierechtelijke betrekking tussen verzoekster en haar vader rechtsgeldig was ontstaan volgens het Nieuw-Zeelandse recht en erkende deze op grond van het Nederlandse internationaal privaatrecht. De Staat stelde in cassatie dat deze erkenning in strijd was met de Nederlandse openbare orde, omdat de vader niet met de moeder was gehuwd en nog getrouwd was met een ander.

De Hoge Raad oordeelt dat het oordeel van de rechtbank begrijpelijk is en dat de erkenning van de familierechtelijke betrekking niet in strijd is met de openbare orde. De Nederlandse wetgeving en jurisprudentie schrijven voor dat buitenlandse rechtsfeiten omtrent afstamming in principe erkend moeten worden, tenzij fundamentele Nederlandse rechtsnormen worden geschonden. Dit is hier niet het geval, mede omdat de relatie in Nieuw-Zeeland gelijkgesteld wordt aan een huwelijk en sprake is van een duurzame gezinssituatie.

Het cassatieberoep wordt verworpen, waarmee de vaststelling van het Nederlanderschap van verzoekster sinds haar geboorte wordt bevestigd.

Uitkomst: Het cassatieberoep van de Staat wordt verworpen en de erkenning van het Nederlanderschap van verzoekster wordt bevestigd.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer19/05283
Zitting19 juni 2020
CONCLUSIE
P. Vlas
In de zaak
Staat der Nederlanden (Ministerie van Justitie en Veiligheid, Immigratie- en Naturalisatiedienst),
(hierna: de Staat)
tegen
[verzoekster] , wonende te [woonplaats] , Verenigd Koninkrijk,
(hierna: verzoekster)
Deze zaak heeft betrekking op een verzoek tot vaststelling van het Nederlanderschap op de voet van art. 17 Rijkswet Pro op het Nederlanderschap (RWN). De rechtbank heeft geoordeeld dat verzoekster de Nederlandse nationaliteit heeft, omdat zij is geboren uit een ‘
de facto relationship’, dat wat de afstammingsrechtelijke gevolgen betreft naar het recht van Nieuw- Zeeland gelijk is te stellen aan een huwelijk. In cassatie klaagt de Staat dat dit oordeel onbegrijpelijk is, en dat de erkenning van de familierechtelijke betrekking in strijd is met de Nederlandse openbare orde, omdat de Nederlandse man ten tijde van de geboorte van verzoekster was getrouwd met een andere vrouw dan de moeder van verzoekster.
1.
Feiten en procesverloop [1]
1.1 Verzoekster is geboren op [geboortedatum] 1992 te [geboorteplaats] (Nieuw-Zeeland) als kind van de op dat moment ongehuwde moeder [de moeder] (hierna: de moeder), geboren op [geboortedatum] 1954 te [geboorteplaats] , Nieuw-Zeeland. In de geboorteakte is [de vader] (hierna: de vader), geboren op [geboortedatum] 1946 te [geboorteplaats] (Nederland), geregistreerd als vader van verzoekster.
1.2 De vader was ten tijde van de geboorte en het opmaken van de geboorteakte van verzoekster gehuwd met een andere vrouw dan de moeder van verzoekster.
1.3 De vader en zijn toenmalige echtgenote zijn, volgens verzoekster, op 15 april 1992 gescheiden van tafel en bed en het huwelijk zou op 20 augustus 2000 door echtscheiding zijn ontbonden.
1.4 De vader heeft de Nederlandse nationaliteit. Verzoekster en de moeder hebben de Nieuw-Zeelandse nationaliteit.
1.5 Bij beslissing van 13 januari 2017 is, namens de Minister van Buitenlandse Zaken, het ingestelde bezwaar tegen de beschikking van 2 november 2016, waarbij de aanvraag voor een Nederlands paspoort niet in behandeling is genomen, kennelijk ongegrond verklaard. Hiertegen is geen beroep ingesteld.
1.6 Verzoekster heeft zich vervolgens op de voet van art. 17 RWN Pro tot de rechtbank Den Haag gewend met het verzoek vast te stellen dat zij sinds haar geboorte – dan wel met ingang van een datum die de rechtbank juist acht – de Nederlandse nationaliteit bezit. De Staat heeft zich daartegen verweerd.
1.7 Bij beschikking van 22 augustus 2019 heeft de rechtbank het verzoek toegewezen en vastgesteld dat verzoekster sedert haar geboorte de Nederlandse nationaliteit bezit. Daartoe heeft de rechtbank, kort samengevat, het volgende overwogen:
(i) De vraag of verzoekster de Nederlandse nationaliteit heeft, moet worden beantwoord aan de hand van art. 3, lid 1, RWN (oud), waarin is bepaald dat Nederlander is het kind waarvan ten tijde van zijn geboorte de vader of de moeder Nederlander is. Gelet op het bepaalde in art. 1, onder d, RWN (oud) wordt verstaan onder vader de man tot wie het kind, anders dan door adoptie, in de eerste graad in opgaande lijn in familierechtelijke betrekking staat.
(ii) Of een dergelijke familierechtelijke betrekking bestaat tussen een kind en een vader dient mede te worden bepaald aan de hand van de regels van het Nederlandse internationaal privaatrecht, te weten art. 10:100 en Pro 10:101 BW, waarvan de inhoud in belangrijke mate aansluit bij het vóór 2003 geldende ongeschreven recht.
(iii) Naar Nieuw-Zeelands recht worden relaties tussen een man en een vrouw, die samenleven als waren zij gehuwd (een ‘
de facto relationship’), gelijk gesteld aan een huwelijk. De rechtbank baseert zich op de door verzoekster overgelegde informatie van de
New Zealand Law Societyen op art. 2, sub a, van de
Status of Children Amendment Act 1987en art. 5 sub Pro 1 van de
Status of Children Act 1969.
(iv) Uit de stukken en hetgeen ter zitting is besproken, is genoegzaam gebleken dat tussen de ouders van verzoekster sprake was van een relatie die gelijk te stellen was aan een huwelijk. De familierechtelijke betrekking tussen verzoekster en haar vader is van rechtswege ontstaan bij de geboorte van verzoekster, nu haar ouders samenleefden als waren zij gehuwd.
(v) Deze afstammingsrelatie is op één lijn te stellen is met de relatie tussen een vader en zijn wettig kind, als bedoeld in art. 3 lid 1 RWN Pro (oud). Er is geen reden dit rechtsfeit niet te erkennen, omdat sprake is van
family life.
(vi) Van strijd met de openbare orde is geen sprake, nu uit het feit dat verzoekster is geboren en opgegroeid in een feitelijke gezinssituatie met haar ouders volgt dat de familierechtelijke betrekking waarin zij tot haar vader staat op één lijn is te stellen met die welke naar Nederlands recht bestaat tussen de vader en een wettig kind.
1.8 Tegen deze beschikking heeft de Staat (tijdig) beroep in cassatie ingesteld. Verzoekster heeft een verweerschrift ingediend.

2.Bespreking van het cassatiemiddel

2.1
Het cassatiemiddel bevat in de onderdelen 3 en 4 enige klachten. Het middel (
onder 3) klaagt dat het oordeel van de rechtbank over het Nieuw-Zeelandse recht onvoldoende begrijpelijk is gemotiveerd. Geklaagd wordt dat de
Status of Children Amendment Actniet ziet op personen als verzoekster en dat de definitiebepaling van art. 2 sub a van Pro de
Status of Children Amendment Act 1987alleen betrekking heeft op die specifieke wet en niet is bedoeld als verruiming van de gevallen waarop art. 5 sub Pro 1 van de
Status of Children Act 1969ziet. Die laatste bepaling is volgens het middel in dit geval niet relevant, omdat zij betrekking heeft op getrouwde vrouwen, terwijl vaststaat dat de moeder van verzoekster niet getrouwd was ten tijde van de geboorte van verzoekster. Verder klaagt het middel dat de verwijzing naar de informatie van de
New Zealand Law Societyhet oordeel niet begrijpelijk maakt, omdat uit die informatie niet blijkt of zij ziet op het in 1992 (het moment van geboorte van verzoekster) geldende recht. De omstandigheid dat in het geval van feitelijk samenwonen een bepaalde wet van toepassing wordt, betekent nog niet dat daarmee een feitelijke relatie of een feitelijk samenwonen gelijk wordt gesteld aan een huwelijk, aldus de klacht.
2.2
Cassatie op grond van schending van het recht van een vreemde staat is op grond van art. 79 lid Pro 1, onder b, RO uitgesloten. De toetsing in cassatie is beperkt tot de vraag of het door de feitenrechter gegeven oordeel over de uitleg of toepassing van buitenlands recht begrijpelijk is. [2] Onbestreden is dat naar het recht van Nieuw- Zeeland wat het afstammingsrecht betreft kinderen die uit een
de facto relationshipworden geboren gelijk worden gesteld aan kinderen die uit een huwelijk worden geboren. De klachten zijn gericht tegen de motivering van het oordeel van de rechtbank over het recht van Nieuw-Zeeland. Dit oordeel komt overeen met hetgeen verzoekster in haar inleidend verzoekschrift heeft gesteld over de inhoud en uitleg van het Nieuw-Zeelandse recht [3] , hetgeen de Staat niet heeft bestreden. Het middel verwijst ook niet naar plaatsen in het dossier in feitelijke instantie waar de Staat de stellingen van verzoekster over de inhoud van het Nieuw-Zeelandse recht zou hebben bestreden. In feitelijke instantie heeft de Staat slechts gesteld dat dit recht ‘geen onderscheid [maakt] tussen wettige en onwettige kinderen (art. 3
Status of Children Act)’. [4] De rechtbank heeft overwogen dat de man en de vrouw die samenleven als waren zij gehuwd, volgens het recht van Nieuw Zeeland gelijkgesteld worden aan gehuwden en dat de man die samenleeft met de moeder van het kind ten tijde van de conceptie en de geboorte wordt aangemerkt als de vader van het kind. De rechtbank heeft voorts overwogen dat naar het recht van Nieuw-Zeeland geen onderscheid wordt gemaakt tussen kinderen die tijdens een samenlevingsrelatie worden verwekt en geboren, en kinderen van gehuwde ouders. [5] In het licht van het door partijen gevoerde debat is het oordeel van de rechtbank niet onbegrijpelijk, zodat de klachten falen.
2.3
Het middel (
onder 4) klaagt dat de rechtbank blijk van een onjuiste rechtsopvatting heeft gegeven door te oordelen dat de volgens Nieuw-Zeelands recht bij de geboorte van verzoekster tot stand gekomen familierechtelijke betrekking tussen verzoekster en de vader in Nederland kan worden erkend en leidt tot het Nederlanderschap.
2.4
Bij de bespreking van deze klacht stel ik het volgende voorop. In cassatie is onbestreden dat de vraag of verzoekster de Nederlandse nationaliteit bezit, moet worden beoordeeld aan de hand van de RWN, zoals deze wet ten tijde van de geboorte van verzoekster in 1992 luidde. Het huidige art. 3 lid 1 RWN Pro is gelijkluidend aan de in 1992 geldende RWN en bepaalt, voor zover thans van belang, dat Nederlander is het kind waarvan ten tijde van zijn geboorte de vader of de moeder Nederlander is. Het begrip ‘vader’ is gedefinieerd – zowel in de thans geldende RWN als in de in 1992 geldende RWN – in art. 1 lid Pro 1, onder d, RWN: ‘de man tot wie het kind, anders dan door adoptie, in de eerste graad in opgaande lijn in familierechtelijke betrekking staat’. In cassatie staat vast dat de vader in de in Nieuw-Zeeland opgemaakte geboorteakte van verzoekster als vader van verzoekster is geregistreerd. Ook is in cassatie onbestreden dat de vader en de moeder ten tijde van de geboorte van verzoekster samenleefden als waren zij gehuwd en dat de vader op dat moment nog was gehuwd met een andere vrouw dan de moeder.
2.5
De vraag of de in de Nieuw-Zeelandse geboorteakte neergelegde afstammingsrechtelijke verhouding in Nederland kan worden erkend, moet worden beantwoord aan de hand van het internationaal privaatrecht. De rechtbank heeft terecht – in lijn met de vaste rechtspraak van de Hoge Raad [6] – overwogen dat het ten tijde van de geboorte van verzoekster geldende internationaal privaatrecht ten aanzien van de afstamming ongeschreven recht was, maar dat de huidige art. 10:100 en Pro 10:101 BW (evenals de voorheen geldende bepalingen van art. 9 en Pro 10 Wet conflictenrecht afstamming) in belangrijke mate aansluiten bij het voorheen geldende recht.
2.6
Art. 10:101 BW Pro heeft betrekking op de erkenning van in het buitenland tot stand gekomen rechtsfeiten of rechtshandelingen waarbij familierechtelijke betrekkingen uit hoofde van afstamming zijn vastgesteld of gewijzigd en die zijn neergelegd in een door een bevoegde instantie overeenkomstig de plaatselijke voorschriften opgemaakte akte. Het uitgangspunt van de wettelijke regeling is dat dergelijke in een buitenlandse akte neergelegde rechtsfeiten en rechtshandelingen van rechtswege in Nederland worden erkend. [7] Op dat uitgangspunt gelden enige uitzonderingen die in art. 10:101 BW Pro worden genoemd. Art. 10:101 lid 1 BW Pro verklaart van overeenkomstige toepassing art. 10:100 lid Pro 1, onder b en c, alsmede de leden 2 en 3 van art. 10:100 BW Pro. In art. 10:101 lid 2 BW Pro is de weigeringsgrond van de openbare orde, bedoeld in art. 10:100 lid Pro 1, onder c, BW, nader uitgewerkt. De erkenning wordt in elk geval op grond van art. 10:101, lid 2, onder a, BW geweigerd ‘indien deze is verricht door een Nederlander die naar Nederlands recht niet bevoegd zou zijn het kind te erkennen’.
2.7
Aan art. 10:100 en Pro 10:101 BW ligt de gedachte ten grondslag dat een in het buitenland tot stand gekomen afstammingsband zoveel mogelijk in Nederland moet worden erkend, omdat moet worden voorkomen dat het desbetreffende kind een ‘hinkende’ afstammingsstatus heeft. Uitgangspunt is dus dat een in het buitenland rechtsgeldig tot stand gekomen afstammingsband in Nederland wordt erkend, behoudens weigering van de erkenning op grond van de openbare orde. Uiteraard blijft de openbare orde een ultimum remedium, waarvan een spaarzaam gebruik dient te worden gemaakt. Uitsluitend in die gevallen waarin de erkenning van de afstammingsbetrekking in strijd komt met fundamentele normen en waarden van de Nederlandse rechtsorde, dient het afweermiddel van de openbare orde te worden gehanteerd.
2.8
De rechtbank heeft in de bestreden beschikking overwogen dat de familierechtelijke betrekking tussen verzoekster en de vader van rechtswege tot stand is gekomen bij de geboorte van verzoekster en dat deze betrekking naar Nederlands internationaal privaatrecht moet worden erkend. Van strijd met de openbare orde is geen sprake. De familierechtelijke betrekking waarin zij naar het recht van Nieuw-Zeeland tot haar vader staat, is op één lijn te stellen met de betrekking die naar Nederlands recht bestaat tussen de vader en een wettig kind, aldus de rechtbank.
2.9
Ik keer terug naar het middel. Het middel (
onder 4.1) bouwt voort op de motiveringsklacht (onder 3) over de toepassing van het recht van Nieuw-Zeeland en deelt het lot daarvan.
2.1
Het middel (
onder 4.2) wijst erop dat de rechtbank heeft onderkend dat de vraag of de familierechtelijke betrekking tussen verzoekster en de vader in Nederland kan worden erkend, moet worden beantwoord aan de hand van art. 10:101 BW Pro in samenhang met art. 10:100 BW Pro. Het middel (
onder 4.3) betoogt dat de rechtbank in het vervolg van haar beschikking die juiste wijze van beoordeling heeft miskend althans onvoldoende begrijpelijk heeft gemotiveerd. Deze klacht wordt onder 4.4-4.12 uitgewerkt.
2.11
Het middel (
onder 4.4 en 4.5) betoogt dat de erkenning van de familierechtelijke rechtsbetrekking van de vader met verzoekster moet afstuiten op de weigeringsgrond van de openbare orde, omdat de vader van verzoekster ten tijde van haar geboorte getrouwd was met een andere vrouw dan de moeder van verzoekster, zodat een afstammingsrelatie bij geboorte uit een ‘de facto relationship’ niet leidt tot het Nederlanderschap. Het middel wijst in dit verband op de rechtspraak over de erkenning in Nederland van (afstammingsrelaties voortvloeiend uit) polygame huwelijken. Verder betoogt het middel dat voor de toetsing van de erkenning aan de openbare orde niet relevant is dat verzoekster met haar ouders samenleefde in een feitelijke gezinssituatie.
2.12
Ik merk hierover het volgende op. De rechtbank heeft overwogen dat, kort gezegd, naar het recht van Nieuw-Zeeland de man en de vrouw die samenleven als waren zij gehuwd, worden gelijkgesteld aan gehuwden. Verder heeft de rechtbank overwogen dat naar het recht van Nieuw Zeeland de man die samenleeft met de moeder van het kind ten tijde van de conceptie en de geboorte van het kind, wordt aangemerkt als vader van het kind en dat de man als vader van verzoekster is aangemerkt in de akte van geboorte. De rechtbank heeft voorts overwogen dat er geen grond bestaat om het rechtsfeit van de familierechtelijke betrekking tussen verzoekster en haar vader niet te erkennen wegens strijd met de openbare orde. De rechtbank heeft daarbij betrokken dat door de jaren heen steeds sprake is geweest van ‘family life’. Die overweging moet worden gezien in het licht van hetgeen over ‘family life’ is opgemerkt in het inleidend verzoekschrift en in het in feitelijke instantie ingenomen standpunt van de Staat. Verder is hetgeen de rechtbank over ‘family life’ overweegt, niet dragend voor de beslissing, zodat de klacht op dit punt faalt. Voor zover het middel nog betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat aan art. 8 EVRM Pro niet het Nederlanderschap kan worden ontleend, faalt de klacht bij gebrek aan feitelijke grondslag. De klacht dat de rechtbank gevolg had moeten geven aan de rechtspraak over de erkenning in Nederland van polygame huwelijken en van de daaruit voortvloeiende familierechtelijke betrekkingen, faalt evenzeer, omdat geen sprake is van een polygaam huwelijk. De familierechtelijke betrekking tussen verzoekster en haar vader vloeit voort uit een
de facto relationshiptussen een man en een vrouw die naar het recht van Nieuw-Zeeland weliswaar gelijkgesteld wordt met een huwelijk, maar enkel voor zover het gaat om de daaruit voortvloeiende afstammingsbetrekkingen.
2.13
Het middel (
onder 4.6-4.11) bouwt ten dele op het voorafgaande voort met het betoog dat ‘family life’ niet relevant is voor de verkrijging van het Nederlanderschap. Verder stelt het middel zich op het standpunt dat de onderhavige familierechtelijke betrekking moet worden vergeleken met de Nederlandse rechtsfiguur van de erkenning door de vader, waarvan de erkenning in de Nederlandse rechtsorde afstuit op de openbare orde wegens strijd met het destijds geldende erkenningsverbod voor de gehuwde man. Ook klaagt het middel dat de rechtbank ten onrechte het begrip ‘wettig kind’ hanteert, terwijl dit begrip in de in 1992 geldende versie van de RWN al niet meer werd gebruikt.
2.14
De klacht dat family life niet relevant is voor de verkrijging van het Nederlanderschap, faalt bij gebrek aan feitelijke grondslag, omdat de rechtbank de verkrijging van het Nederlanderschap niet heeft gegrond op art. 8 EVRM Pro. Voor zover geklaagd wordt dat in deze zaak sprake is van een erkenning door een gehuwde Nederlandse man, mist de klacht eveneens feitelijke grondslag. In deze zaak is sprake van de erkenning van een (naar het recht van Nieuw-Zeeland) van rechtswege tot stand gekomen familierechtelijke betrekking die is neergelegd in de in Nieuw-Zeeland door een bevoegde instantie overeenkomstig de plaatselijke voorschriften opgemaakte geboorteakte van verzoekster. Deze familierechtelijke betrekking dient in Nederland te worden erkend op grond van de (analogische) toepassing van art. 10:101 BW Pro, behoudens strijd met de openbare orde. Van strijd met de openbare orde is, zoals de rechtbank terecht heeft overwogen, geen sprake. Voor zover geklaagd wordt over het gebruik van het begrip ‘wettig kind’, faalt de klacht eveneens, omdat de rechtbank daarmee heeft bedoeld tot uitdrukking te brengen dat tussen de vader en het kind een familierechtelijke betrekking dient te bestaan (vgl. art. 1, aanhef en onder d, RWN). [8]

3.Conclusie

De conclusie strekt tot verwerping van het cassatieberoep.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
A-G

Voetnoten

1.De feiten zijn ontleend aan de bestreden beschikking van de rechtbank Den Haag van 22 augustus 2019, ECLI:NL:RBDHA:2019:9263.
2.Asser Procesrecht/Korthals Altes & Groen 2015/108, 124 en 125; B.T.M. van der Wiel (red.), Cassatie, 2019/38, 84 en 85; Strikwerda/Schaafsma, Inleiding tot het Nederlandse internationaal privaatrecht, 2019, nr. 101.
3.Inleidend verzoekschrift van 30 augustus 2018, nr. 3.
4.Zie de brief van 19 maart 2019 van de IND, p. 2, onder het kopje ‘Standpunt van de Staat’.
5.Zie de bestreden beschikking, p. 4, vijfde alinea.
6.Zie HR 19 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:293, NJ 2016/355 m.nt. Th.M. de Boer, rov. 3.4.3 en nrs. 2.4 e.v. van mijn conclusie (ECLI:NL:PHR:2015:2209) voor die beschikking. Zie ook Kamerstukken II 2009/10, 32137, nr. 3 (MvT), p. 60-61.
7.Zie ook HR 20 december 2019, ECLI:NL:HR:2019:2036, NJ 2020/99, m.nt. L. Strikwerda, rov. 2.5.4; HR 21 december 2018, ECLI:NL:HR:2018:2377, NJ 2019/33, rov. 4.1.2; HR 19 mei 2017, ECLI:NL:HR:2017:942, NJ 2017/435, m.nt. L. Strikwerda, rov. 3.6.1.
8.Zie HR 19 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:293, NJ 2016/355, m.nt. Th.M. de Boer, rov. 3.4.2.