Conclusie
1.Inleiding
2.Feiten en procesverloop
3.Bespreking van het cassatiemiddel
Onderdeel 1bestaat uit elf subonderdelen en is gericht tegen rov. 3.8 t/m 3.12 van het bestreden arrest, waarin het hof heeft geoordeeld dat naar het recht van Kazachstan misbruik van recht grond kan vormen voor het maken van een uitzondering op de hoofdregel dat een rechtspersoon (Samruk) niet aansprakelijk is voor vorderingen op aandeelhouders en/of bestuurders (Kazachstan) en dat voorshands aannemelijk is dat Samruk naar Kazachs recht misbruik van recht maakt door zich tegenover [verweerders] op haar juridische zelfstandigheid te beroepen.
Onderdeel 1.9is gericht tegen rov. 3.10, omdat het hof zijn oordeel dat Samruk in haar verhouding tot Kazachstan feitelijk-economisch zelfstandigheid mist, ontoereikend heeft gemotiveerd in het licht van Samruks gemotiveerde betoog dat zij op een voor een vennootschap waarvan alle aandelen in handen zijn van de staat gebruikelijke wijze een zelfstandig beleid heeft kunnen voeren in overeenstemming met haar statutaire doel.
bedoelinghad om vermogen buiten de greep van (potentiële) crediteuren als [verweerders] te houden [18] , maar ook dat Samruk
daadwerkelijkwordt aangewend door Kazachstan om vermogen, dat feitelijk-economisch aan Kazachstan toebehoort, buiten de greep van [verweerders] als crediteuren te houden, althans dat dit het resultaat is dat daarmee wordt bereikt. [19] Het hof heeft dus niet de feitelijke grondslag van het verweer van [verweerders] aangevuld. Het hof kon zijn misbruikoordeel baseren op de omstandigheid dat (i) Samruk in haar verhouding tot Kazachstan feitelijk-economisch zelfstandigheid mist en (ii) Samruk materieel in elk geval (mede)
fungeert als middelom substantieel vermogen van Kazachstan buiten de greep van schuldeisers te houden. Het hof kon in het midden laten wat het doel is geweest van de oprichting van Samruk. Onderdeel 1.3 faalt derhalve.
Grief 13: immuniteit van jurisdictie
There is common agreement that for acts performed in the exercise of the prerogatives de la puissance publique or “sovereign authority of the State”, there is undisputed immunity”.’
rechtmatigheidvan de oprichting van Samruk door Kazachstan te onderzoeken, omdat dit betreft een soevereine overheidshandeling van Kazachstan volgens haar eigen wetgeving en op haar eigen territoir. Het betoog impliceert dat de Nederlandse rechter moet uitgaan van de rechtmatigheid van die oprichting, althans deze handeling van de soevereine staat Kazachstan dient te respecteren. Dit betoog vertoont verwantschap met een beroep op immuniteit van jurisdictie, maar betreft in feite – zoals ook [verweerders] menen [24] – een beroep op de ‘act-of-state-doctrine’. [25]
onderdelen 3.2-3.6keren zich tegen het ten overvloede gegeven oordeel van het hof dat Samruk – indien (veronderstellenderwijs) ervan wordt uitgegaan dat Samruk en Kazachstan moeten worden vereenzelvigd – niet kan worden gevolgd in haar betoog dat zij zich mag beroepen op immuniteit van executie.
onmiddellijkebestemming van de goederen beslissend is. Hoewel voor de beslissing van het onderhavige cassatieberoep niet van belang, is voor de rechtsontwikkeling een oordeel van de Hoge Raad over deze kwestie wenselijk. Ik merk daarover het volgende op.
bestemminghebben die daarmee niet onverenigbaar is. Volgens de Hoge Raad strookt dit uitgangspunt met de op het respecteren van de soevereiniteit van vreemde staten gerichte strekking van de immuniteit van executie. Daarbij past ook dat vreemde staten niet gehouden zijn om gegevens aan te dragen waaruit volgt dat hun eigendommen een bestemming hebben die zich tegen beslag en executie verzet en dat de stelplicht en de bewijslast met betrekking tot de vatbaarheid voor beslag en executie rusten op de schuldeiser. Het is aan de schuldeiser om gegevens aan te dragen aan de hand waarvan kan worden vastgesteld dat de goederen door de vreemde staat worden gebruikt of zijn bestemd voor, kort gezegd, andere dan publieke doeleinden. [38] Voor ieder vermogensbestanddeel zal afzonderlijk moeten worden vastgesteld of dit het geval is. [39]
uiteindelijkebestemming niet-publiek is, maar slechts dat de
onmiddellijkebestemming van het goed of het onmiddellijke gebruik van de opbrengsten daarvan niet-publiek is. [41] Dit voorstel heeft bijval gekregen in de literatuur [42] en navolging in de lagere rechtspraak [43] , zoals ook door het hof Amsterdam in de onderhavige zaak.
is specifically in use or intended for useby the State for other than government non-commercial purposes and is in the territory of the State of the forum (…).’ (mijn curs., A-G)
in het bijzonder worden gebruikt of beoogd zijn voor gebruikdoor de staat voor andere dan niet-commerciële overheidsdoeleinden en zich bevinden op het grondgebied van de staat van het forum (…).’ (mijn curs., A-G)
ten tijde vanhet instellen van de procedure tot beslag of executie. [45] Het peilmoment voor de vaststelling van de bestemming van een bepaald goed is dus het moment van het (instellen van de procedure voor het) treffen van conservatoire dan wel executoriale maatregelen. Uit de toelichting van de ILC blijkt niet wanneer precies sprake is van een eigendom die in het bijzonder wordt gebruikt of is beoogd voor gebruik voor, kort gezegd, niet-publieke doeleinden. Art. 21 lid 1 VN Pro-Verdrag noemt vijf categorieën van eigendommen die niet kunnen aangemerkt als eigendommen als bedoeld in art. 19, onderdeel c, VN-Verdrag (kort gezegd: eigendommen ten behoeve van diplomatieke vertegenwoordigingen, militaire eigendommen, eigendommen van een centrale bank, cultureel erfgoed, objecten van wetenschappelijk, cultureel of historisch belang). Voor andere categorieën eigendommen is de beoordeling aan de rechter van de forumstaat overgelaten. [46]
X/Staat) zou kunnen worden afgeleid dat immuniteit van executie ook gevallen omvat waarin de vreemde staat het goed ‘op enig moment’ in gebruik wil nemen voor publieke doeleinden. [49] De zinsnede ‘op enig moment’ impliceert dat ook goederen die (niet onmiddellijk, maar) uiteindelijk bestemd zijn voor overheidsdoeleinden immuun zijn voor executie. Opmerking verdient echter dat deze uitspraak betrekking had op eigendommen als bedoeld in art. 21 VN Pro-Verdrag (een ambassadegebouw, te weten goederen ten behoeve van de diplomatieke dienst), waarvoor in het algemeen immuniteit van executie geldt. Voor andere eigendommen zou een meer liberale lijn kunnen worden overwogen, waarbij de (voldoende) onmiddellijke bestemming van het goed doorslaggevend is, althans dat voor het aannemen van de in art. 19, onderdeel c, VN-Verdrag bedoelde uitzondering de uiteindelijke bestemming van het vermogensbestanddeel niet (zonder meer) bepalend is.