Conclusie
1.Feiten
[verweerder 1]) is op 14 maart 2007 Europees octrooi 1 507 630 (hierna:
EP 630of
het Octrooi) verleend voor een snijsysteem voor het onder hoge druk snijden van staalplaat. Deze techniek wordt onder meer gebruikt bij de schoonmaak van olietanks. Jet Set Hydrotechniek B.V. (hierna:
Jet Set) exploiteert de door [verweerder 1] ontwikkelde snijmachines onder de naam RAGWORM. [verweerder 1] en Jet Set worden hierna gezamenlijk aangeduid als
Jet Set c.s.
watersnijden door de fa. Ragworm’ voorgeschreven. [2]
de Schikkingsregeling). Daarin is onder meer het volgende bepaald:
2.Procesverloop
het art. 223 Rv Pro-Incident).
het hof). [eiser] heeft incidenteel appel ingesteld. Jet Set c.s. hebben niet van grieven gediend. De zaak is tot twee maal toe ambtshalve doorgehaald. [eiser] heeft bij exploot van 13 februari 2018 Jet Set c.s. opgeroepen tot hervatting van de zaak. Pas nadat [eiser] in het incidentele appel van grieven had gediend, hebben Jet Set c.s. een advocaat gesteld en de grieven van [eiser] bij memorie van antwoord bestreden. Daarna hebben partijen de zaak bepleit, waarbij [eiser] een akte heeft genomen met daarin een ‘eisvermeerdering en -wijziging (1019h Rv)’.
3.Juridisch kader
Mededingingsrechtelijk kader octrooischikkingen
de Richtsnoeren) [7] merkt de Commissie over non-concurrentiebedingen in octrooilicentieovereenkomsten het volgende op:
pay for delay-zaken. Daarbij betaalt de fabrikant van een origineel geneesmiddel waarvoor de octrooibescherming afloopt aan een producent van generieke geneesmiddelen een som geld in ruil waarvoor deze zich ertoe verbindt niet dan wel later met een generiek geneesmiddel op de markt te komen. De octrooihouder koopt de concurrentie van die generieke producent af om zijn door een octrooi verleende monopolie te verlengen na afloop van de beschermingstermijn ervan. Een dergelijke afspraak vormt doorgaans een mededingingsbeperking naar strekking, ook als zij onderdeel is van een octrooischikking. [10] De Commissie is verschillende malen daartegen opgetreden, wat inmiddels ook heeft geleid tot rechtspraak van het Gerecht, onder andere in de zaken
Lundbeck [11] en
Servier. [12] In laatstgenoemde zaak overwoog het Gerecht onder meer:
Generics UK. [13] Dat arrest bevestigt dat de kwalificatie ‘mededingingsbeperking naar strekking’ afhankelijk is van de vaststelling dat de betrokken overeenkomsten in voldoende mate schadelijk zijn voor de mededinging, gelet op hun inhoud, doelstellingen en de economische en de juridische context ervan. Gezien de aanzienlijke verlaging van de verkoopprijs van de betrokken geneesmiddelen als gevolg van het op de markt komen van de generieke versie ervan, kan volgens het Hof van Justitie sprake zijn van een dergelijke schadelijkheid wanneer de betaalde geldsommen wegens hun omvang slechts kunnen worden verklaard door het commerciële belang van de partijen bij die overeenkomst om af te zien van mededinging op merites, en generieke fabrikanten dus een stimulans geven af te zien van toetreding tot de betrokken markt. [14] Het sluiten van een overeenkomst waarbij een concurrent van de octrooihouder zich ertoe verbindt niet tot de markt toe te treden en zijn betwisting van het octrooi stop te zetten in ruil voor de betaling van een aanzienlijk bedrag dat geen andere tegenprestatie heeft dan die verbintenis, komt er op neer dat deze houder bescherming wordt geboden tegen vorderingen tot nietigverklaring van zijn octrooi en dat een vermoeden wordt gecreëerd dat de producten die door zijn concurrent op de markt kunnen worden gebracht, onrechtmatig zijn. Niet zijn perceptie van de kracht van het octrooi, maar het vooruitzicht van die som geld zet de producent van generieke geneesmiddelen er toe aan af te zien van markttoetreding en van betwisting van het octrooi.
GVTO). [16] Op grond van deze verordening zijn overeenkomsten waarbij technologie wordt overgedragen op de voet van art. 101 lid 3 VWEU Pro vrijgesteld van het verbod van art. 101 lid 1 VWEU Pro, indien een dergelijke overeenkomst voldoet aan alle voorwaarden die deze verordening daarvoor stelt. Een licentieovereenkomst komt niet voor vrijstelling uit hoofde van deze verordening in aanmerking als zij een of meer ‘hardcorebeperkingen’ bevat. Wanneer partijen concurrenten van elkaar zijn, gaat het daarbij onder andere om productiebeperkingen, het verdelen van gebieden of klanten en het beperken van de licentienemer in het gebruik van zijn eigen technologie. [17] Een niet-aanvechtingsclausule is als bepaling uitgesloten van de groepsvrijstelling (die dan mogelijk wel van toepassing is op de rest van de licentieovereenkomst). [18]
Onrechtmatige handhaving octrooien
CFS Bakel/Stork Titan. [19] Stork vorderde van CFS als houdster van het octrooi op een oven schadevergoeding en legde aan die vordering ten grondslag dat CFS onrechtmatig had gehandeld tegenover Stork door zich tegenover afnemers van haar en derden te beroepen op een uiteindelijk vernietigd octrooi.
Toepassing op standpunt [eiser] in appel
pay for delay-zaken. Hier was sprake van een (echt) octrooigeschil, niet van een commercieel opzetje. Een ander verschil met die zaken is dat met het afsluiten van de Schikkingsregeling het octrooigeschil tussen partijen niet definitief was geregeld. De Schikkingsregeling behelst namelijk de afspraak om de situatie tussen partijen voor de duur van de bodemzaak te bevriezen.
geenoctrooi bestaat kan de verbintenis om bepaalde technieken niet te gebruiken mededingingsbeperkend zijn. Hier staat echter vast dat het Octrooi bestond op het moment dat de Schikkingsregeling werd getroffen. Met ‘
om nietconcurrentieverbod’ beoogt [eiser] , naar ik aanneem, tot uitdrukking te brengen dat Jet Set c.s. geen tegenprestatie diende te leveren. Daargelaten dat de Schikkingsregeling wel degelijk een voordeel bevatte voor [eiser] (het afwenden van het kort geding), bevestigt het ontbreken van een financiële vergoeding dat de door [eiser] aangegane verplichting voortvloeide uit het octrooirecht van Jet Set c.s. Vanuit mededingingsrechtelijk oogpunt onderscheidt de Schikkingsregeling zich daarom in gunstige zin van de
pay for delay-zaken omdat daar de generieke producent erin toestemt om ook na de looptijd van de octrooien van de producent van het originele medicijn niet op de markt te komen met een goedkoper alternatief. De Schikkingsregeling bevat geen enkele afspraak voor na de looptijd van het octrooi.
CFS Bakel/Stork Titan. Die zaak ging niet over een schikkingsregeling zoals in de onderhavige zaak aan de orde. De uitzondering die de Hoge Raad dat arrest heeft geformuleerd op de rechtmatigheid van handhaving van een – later vernietigd – octrooi (zie hiervoor, 3.9) doet zich volgens de rechtbank niet voor. Het kort geding tussen Jet Set c.s. en Verwater c.s. (zie hiervoor,1.6) betreft een voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter en brengt als zodanig niet mee dat handhaving van het Octrooi na die uitspraak in kort geding onrechtmatig zou zijn. Overigens valt uit de processtukken van [eiser] niet met zekerheid op te maken waaruit die handhavingshandelingen door Jet Set c.s. precies bestonden, anders dan dat [eiser] er aan werd gehouden de Schikkingsregeling na te leven.
4.Bespreking van het cassatiemiddel
passage Avan rov. 3.6, die als volgt luidt:
interstatelijkehandel nadelig werd beïnvloed door de Schikkingsregeling, maar aansluiting gezocht bij art. 6 Mw Pro.
passage Bvan rov. 3.6, die als volgt luidt:
onder 2.3.1dat het hof buiten het debat van partijen is getreden en, dat het ten onrechte feiten heeft aangevuld, dan wel een onbegrijpelijk oordeel heeft gegeven, door voorop te stellen dat bij het aangaan van de Schikkingsregeling partijen, althans Jet Set c.s., klaarblijkelijk uitgingen van de geldigheid van het Octrooi.
Onder 2.3.2betoogt het middel, samengevat, dat het hof uit de vaststelling dat genoemde regeling geen voorziening bevat voor het geval het Octrooi nietig zou zijn, niet objectief heeft kunnen afleiden dat Jet Set c.s. uitging van de geldigheid van het Octrooi.
beidepartijen bij het aangaan van de Schikkingsregeling klaarblijkelijk uitgingen van de geldigheid van EP 630, maar dat “
alle partijen, in elk geval Jet Set c.s.” dat deden. De door het hof gebruikte woordkeuze is wellicht niet geheel vrij van dubbelzinnigheid maar laat in elk geval ruimte voor de lezing dat [eiser] niet van de geldigheid van het Octrooi uitging. Daarbij wijs ik er wel op dat Hoffland B.V. en [eiser] ( [A] ) in feitelijke instanties het standpunt hebben ingenomen dat zij ten tijde van het sluiten van de Schikkingsregeling zelf uitgingen van de volledige geldigheid van het Octrooi. In hun incidentele vordering ex art. 223 Rv Pro hebben Hoffland B.V. en [eiser] namelijk het volgende aangevoerd (onderstreping toegevoegd; A-G):
Bij dit alles gingen in ieder geval Hoffland en [A] ten tijde van het sluiten van de regeling nog uit van de volledige geldigheid van het octrooi, hetgeen door octrooihouder ook uitgebreid werd gepropageerd.”
zolang EP 630 van kracht is” en zolang niet definitief is vastgesteld dat [eiser] geen inbreuk zal maken op EP 630. [eiser] heeft niet gesteld dat de woorden ‘zolang EP 630 van kracht is’ slaan op de rechtsgeldigheid van genoemd octrooi. Zijn standpunt hield vooral in dat hij bij de uitvoering van de opdracht bij Q8 een technologie toepaste die in de branche (een ook door hem zelf) al langere tijd werd toegepast en waar daarom weinig nieuws aan was. [20] Partijen beschouwden op het moment van het sluiten van de Schikkingsovereenkomst klaarblijkelijk niet de geldigheid van het Octrooi, maar de inbreuk daarop door [eiser] (en Hoffland B.V.) als de onzekere factor.
passage Cuit rov. 3.6. Hier ligt m.i. de kern van het cassatieberoep. Het hof heeft overwogen dat de Schikkingsregeling niet de strekking had om de mededinging te beperken, zodat het hier hooguit zou kunnen gaan om een overeenkomst met mededingingsverstorende gevolgen:
onder 2.4.4voorts dat de Schikkingsregeling een ‘om-niet concurrentieverbod’ bevat en [verweerder 1] daarom geen beroep toekomt op de uitzonderingsbepaling van art. 101 lid 3 VWEU Pro. Daargelaten dat [eiser] in hoger beroep pas bij pleidooi voor het eerst dit standpunt heeft ingenomen en het hof gelet op de tweeconclusieregel deze stelling daarom niet in zijn beoordeling hoefde te betrekken, [26] is het betoog van [eiser] onjuist om de redenen die ik hiervoor heb genoemd in 3.13 en 3.14: de Schikkingsregeling is geen licentieovereenkomst en bevat geen concurrentiebeding in de betekenis die daaraan in het mededingingsrecht doorgaans wordt gegeven. Daarom hoefde de Schikkingsregeling niet aan de GVTO of (individueel) aan art. 6 lid 3 Mw Pro te worden getoetst.
2.4.6voert aan dat het hof heeft miskend dat waar het industrieel eigendomsrecht als rechtvaardiging kan dienen van de beperking van de mededinging dit recht niet tevens kan worden gebruikt voor de beoordeling of het gaat om een strekkings- of effectbepaling. Nu het hof bij de beoordeling van beide deelvragen doorslaggevende betekenis heeft toegekend aan de octrooipositie van Jet Set c.s. zou het gegeven oordeel berusten op ‘cyclische’ redenering. [27]
ongerechtvaardigdebelemmering van economische activiteit op te heffen.
rechtvaardigingvoor kon worden gevonden vanwege door Jet Set c.s. aan het strekkingsbeding ten grondslag gelegde beweerdelijke octrooirechten. Alleen dan komt volgens het middel immers de normatieve vraag op de juiste wijze aan bod of wel of niet sprake is van een
gerechtvaardigdebelemmering van economische activiteiten.
rechtvaardigingvoor kon worden gevonden vanwege door Jet Set c.s. aan het strekkingsbeding ten grondslag gelegde beweerdelijke octrooirechten. Bij de beoordeling of de regeling de strekking had om de mededinging te beperken moet immers al worden gelet op de juridische context.
gerechtvaardigdebelemmering van de economische activiteit had moeten aansluiten bij de maatstaf zoals die volgt uit het arrest
CFS Bakel/Stork Titan. De vraag die zich aandient is of Jet Set c.s. als
redelijk handelend octrooihouderbij het aangaan van de Schikkingsregeling al dan niet
wisten of behoorden te wetendat er de serieuze, niet te verwaarlozen kans was dat het octrooi in de gehandhaafde vorm ongeldig was. Het hof heeft daarbij volgens het middel ten onrechte daarop gerichte stellingen onbesproken gelaten dan wel zijn oordeel onvoldoende begrijpelijk gemotiveerd.
CFS Bakel/Stork Titanweergegeven. Door te betogen dat bij de beoordeling of wel of niet sprake is van een
gerechtvaardigdebelemmering van economische activiteiten het hof had moeten oordelen dat Jet Set c.s. als
redelijk handelend octrooihouderbij het aangaan van de Schikkingsregeling wisten of behoorden te weten dat er de serieuze, niet te verwaarlozen kans was dat het octrooi in de gehandhaafde vorm ongeldig was, verliest het middel uit het oog dat in de onderhavige zaak, anders dan in de zaak die ten grondslag lag aan het arrest
CFS Bakel/Stork Titan,partijen uit vrije wil een Schikkingsregeling hebben getroffen waarin zij, kort gezegd, zijn overeen gekomen dat [eiser] zijn werkzaamheden waarmee hij beweerdelijk inbreuk maakte op octrooi EP 630 staakt en blijvend zal staken zolang niet is geoordeeld dat [eiser] geen inbreuk zou maken op het octrooi. [eiser] heeft er in de onderhavige zaak dus voor gekozen om zijn positie tegenover Jet Set c.s. contractueel vast te leggen voor de duur van het proces over de geldigheid van het Octrooi. In die situatie kan niet worden gezegd dat Jet Set c.s. onrechtmatig heeft gehandeld door zich te beroepen op het Octrooi, ook al zou dat later worden vernietigd.
SGB/Agib, rov. 3.4.2, getuigt van een onjuiste rechtsopvatting, dan wel zonder nadere toelichting onbegrijpelijk is, aangezien in dat arrest weliswaar terughoudendheid wordt voorgeschreven bij het aannemen van strekkingsbedingen, maar de mogelijkheid daartoe wordt opengelaten. Het hof heeft bij die verwijzing miskend dat de
hardcore-restrictie in de Schikkingsregeling als strekkingsbeding is aan te merken en dat de Hoge Raad daarvoor in genoemd arrest de mogelijkheid heeft opengelaten dat nader onderzoek naar de effecten niet nodig is, aldus het middel.
SGB/Agib:
Servieruit 2018 [29] kan [eiser] niet baten. Hoewel het Gerecht in punt 257 heeft overwogen dat een verhandelingsverbod nadelige gevolgen heeft voor de mededinging omdat een van de concurrenten van de octrooihouder van de markt wordt uitgesloten, heeft het daaropvolgend in punt 258 overwogen dat het gebruik van een dergelijk beding gerechtvaardigd kan zijn. Dat is enkel voor zover het is gebaseerd op de erkenning door partijen van de geldigheid van het betrokken octrooi. Het hof heeft in rov. 3.6 in lijn daarmee overwogen dat beide partijen, in elk geval Jet Set c.s. uitgingen van de geldigheid van het octrooi. Daarbij is van belang dat partijen ervoor hebben gekozen om de Schikkingsregeling overeen te komen voor de duur van het proces ter verkrijging van een definitief oordeel over de geldigheid van het octrooi. Daarnaast verschilt deze zaak in belangrijke opzichten van de zaak
Servieren andere
pay for delay-zaken (zie hiervoor, 3.14).
merkbareverstoring van de mededinging in de desbetreffende markt. Deze overweging luidt:
Heerlen/Whizz', ECLI:NL:HR:2009:BG3582) Aan deze stelplicht heeft [eiser] niet voldaan: hij heeft niet gesteld dat de Schikkingsregeling de mededinging in Nederland merkbaar beperkt. Reeds hierom kan niet worden aangenomen dat de Schikkingsregeling nietig is op grond van artikel 6 Mw Pro.”
onder 2.5.2 en 2.5.3komen erop neer dat het hof heeft miskend dat de Schikkingsregeling een strekkingsbeding vormt en dat de gevolgen in dat geval niet behoeven te worden onderzocht dan wel dat het hof daaromtrent een onbegrijpelijk oordeel heeft gegeven. Deze klachten herhalen in wezen de klachten van onderdeel 3 en falen om dezelfde redenen.
op de markt, gelet op de positie van partijen op de betrokken markt zoals die blijkt uit onder andere hun omzet en hun marktaandeel. Daarover is in feitelijke instanties niets gesteld. Na te hebben vastgesteld dat de Schikkingsregeling geen strekkingsbeding bevat, heeft het hof eveneens terecht geoordeeld dat evenmin van een verboden gevolgbeperking sprake kon zijn omdat daartoe vereist is dat de merkbaarheid ervan wordt vastgesteld en [eiser] daaromtrent niets had gesteld terwijl op hem de bewijslast ligt. Dat oordeel acht ik juist. In het arrest
Heerlen/Whizz, waar het hof ook naar verwijst, overwoog de Hoge Raad dat: [30]
had moeten zijn. Volgens [eiser] ’s primaire standpunt was dat bij de eerste handhaving van het octrooi al het geval en onder die omstandigheden is de belemmering van de economische activiteit dus niet
gerechtvaardigdgeweest, aldus het middel.
nu het om een eenzijdig concurrentieverbod om-niet gaat”, dit niet van [eiser] kon en mocht worden verwacht.
“ [A] (…) tegen het [pacta sunt servanda]-argument [heeft] opgeworpen dat ook vaststellingsovereenkomsten nietig zijn indien deze in strijd zijn met de openbare orde (in dit geval: mededingingsrecht).” Uit die laatste toevoeging blijkt dat deze stelling dus ook is gebaseerd op het mededingingsrecht en niet op een andere grond van openbare orde. Ik herinner er in dat verband aan dat de Hoge Raad in de zaak
Heerlen/Whizzheeft uitgemaakt dat art. 6 Mw Pro geen recht van openbare orde bevat dat de rechter ambtshalve moet toepassen, ook als hij daarmee buiten de grenzen van de rechtsstrijd zou treden. [31]
voorlopige regelingvoor de duur van het geding. Dan geldt ook de jurisprudentie van de Hoge Raad in
Ciba-Geigy/Voorbraak:
dat in beginsel dient te worden aangenomen dat degene die door dreiging met executie zijn wederpartij heeft gedwongen zich aan een in kort geding gegeven verbod te gedragen,onrechtmatigheeft gehandeld wanneer hij, naar achteraf blijkt uit de uitspraak in het bodemgeschil, niet het recht had van de wederpartij te vergen dat deze zich van de desbetreffende handelingen onthield.
Ciba-Geigy/Voorbraakook een [rechtvaardiging] voor deze risico-verdeling gegeven:
Deze oplossing is maatschappelijk méér gerechtvaardigd dan de omgekeerde oplossing, die daarop neerkomt dat de partij die zich onder dreiging met executie aan het verbod heeft gehouden, in beginsel de schade moet dragen, ook al blijkt achteraf het gepretendeerde recht niet te bestaan.”
pacta sunt servanda:niet valt in te zien dat [A] , die onder dreiging van een kort geding - nadat ook al beslag was gelegd - een Schikkingsregeling aangaat, in beginsel de schade moet dragen, ook als het gepretendeerde recht achteraf niet blijkt te bestaan.”