Conclusie
1.Feiten en procesverloop
2.Bespreking van het cassatiemiddel
motiveringvan schriftelijke aanwijzingen is in zoverre minder indringend, dat motiveringsgebreken in ‘besluiten’ als bedoeld in de Awb volgens vaste rechtspraak van de bestuursrechter kunnen worden hersteld, zo nodig ook nog ter zitting. [27] In jeugdzaken is die herstelmogelijkheid van bijzonder belang, aangezien de kinderrechter in de regel ‘
ex nunc’ oordeelt over het geschil. [28] In deze zaak is dat patroon doorbroken, door de omstandigheid dat ten tijde van de zitting bij het hof de schriftelijke aanwijzing van 27 augustus 2018 al was achterhaald door de schriftelijke aanwijzing van 27 februari 2019 (zie alinea 1.6). [29]
eerste klachtluidt dat rov. 3.8.2 onbegrijpelijk is, omdat voorafgaand aan de uitspraak van het hof al duidelijk was dat “het punt van de verschrijving” geen beoordeling meer behoefde. Het ging volgens de moeder alleen nog om de vraag of de schriftelijke aanwijzing van 27 augustus 2018
voor het overigezorgvuldig tot stand gekomen en toereikend gemotiveerd was. Dáárover heeft het hof volgens de klacht geen begrijpelijk oordeel gegeven.
tweede klachtbouwt hierop voort met een kritische beschouwing van de motivering die was opgenomen in de schriftelijke aanwijzing van 27 augustus 2018. Deze motivering luidde in haar geheel [30] als volgt:
derde klachtis gericht tegen de zo-even geciteerde motivering van de schriftelijke aanwijzing. Volgens de moeder is daarin ten onrechte vermeld dat er door haar toedoen geen perspectief kon worden bepaald. De klacht verwijst naar verklaringen van de GI in de procedure over de vervallenverklaring van de schriftelijke aanwijzing van 19 november 2018. Volgens de moeder blijkt daaruit dat haar geen blaam treft van de ontstane vertraging.
vierde klachtbouwt hierop voort met de stelling dat de locatie en het tijdstip van de bezoekmomenten debet waren aan het probleemgedrag van de minderjarige. Volgens de moeder is het hof ten onrechte voorbijgegaan aan de door de GI ter zitting in eerste aanleg gedane toezegging om de mogelijkheden te onderzoeken van een andere locatie en een ander tijdstip. Aldus is het recht van moeder en kind op ‘
family life’ beperkt op grond van feiten en omstandigheden die niet op waarheid berusten.
aanvulling op het verzoekschrift tot cassatieis, voortbouwend op de derde klacht, aangevoerd dat het proces-verbaal van de zitting bij het hof bevestigt dat de schriftelijke aanwijzing van 27 augustus 2018 niet gebaseerd kan zijn op een aan de moeder toe te schrijven vertraging bij de uitvoering van het persoonlijkheidsonderzoek. Er is sprake van een “onjuiste en onbegrijpelijke SA”. Of de schriftelijke aanwijzing is gevolgd door andere schriftelijke aanwijzingen, die al dan niet vervallen zijn verklaard, doet volgens de moeder niet ter zake.