ECLI:NL:HR:2003:AF9715
Hoge Raad
- Cassatie
- P. Neleman
- H.A.M. Aaftink
- D.H. Beukenhorst
- O. de Savornin Lohman
- P.C. Kop
- F.B. Bakels
- Rechtspraak.nl
Beoordeling terugplaatsing minderjarige na uithuisplaatsing en ondertoezichtstelling
De zaak betreft een minderjarige die sinds januari 2000 onder toezicht staat en uithuisgeplaatst is bij een pleegmoeder. De gezinsvoogdij-instelling nam het voornemen het kind terug te plaatsen bij de ouders, maar de pleegmoeder maakte bezwaar. De kinderrechter vernietigde het besluit van de gezinsvoogdij-instelling en bepaalde dat het kind in het pleeggezin blijft zolang de omstandigheden niet wijzigen. Het hof bekrachtigde deze beslissing in hoger beroep.
De ouders stelden cassatieberoep in tegen het oordeel van het hof, stellende dat de rechter slechts marginaal had mogen toetsen of de gezinsvoogdij-instelling haar besluit in redelijkheid had genomen. De Hoge Raad oordeelde dat de kinderrechter en het hof het belang van het kind zelfstandig moeten beoordelen, ook rekening houdend met feiten en omstandigheden die zich na het besluit van de gezinsvoogdij-instelling voordoen.
De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde dat de rechter niet gebonden is aan een marginale toetsing, maar een eigen belangenafweging moet maken. De beslissing onderstreept het belang van een zelfstandige beoordeling van het kindbelang bij terugplaatsing na uithuisplaatsing en ondertoezichtstelling.
Uitkomst: Het cassatieberoep van de ouders wordt verworpen en de beschikking van het hof wordt bekrachtigd.