Conclusie
1.Feiten en procesverloop
2.Bespreking van het cassatiemiddel
ware het niet dat een weigerachtige crediteur wellicht zonder valide redenen zijn medewerking had geweigerd’. [9] Daarnaast moet het dwangakkoord een tegenwicht vormen tegen de gewijzigde, bovendien strengere eisen voor toelating tot de schuldsaneringsregeling. Met art. 287a Fw moet worden voorkomen dat een te grote groep schuldenaren tussen de wal van het minnelijk traject en het schip van de wettelijke schuldsanering (met de strenge eisen voor toelating) terecht zou komen. [10] Bijkomende reden voor de invoering van art. 287a Fw was de wens om de rechterlijke macht en bewindvoerders te ontlasten en de druk op het wettelijk traject te verminderen. [11]
dat duidelijk moet zijn dat crediteuren in een gedwongen schuldregeling een hogere dan wel snellere aflossing krijgen dan in een wettelijk traject te verwachten is’. [21]
(hypothetische) resultaatsvergelijking’. [25]
Indien de bewindvoerder termen aanwezig acht om de wettelijke termijn van de schuldsaneringsregeling van drie jaar te verlengen of te verkorten, stelt hij de rechter-commissaris hiervan op de hoogte.
De wettelijke termijn kan onder andere worden verkort, indien de schuldenaar in een aan de schuldsaneringsregeling voorafgaand faillissement of voorafgaande surseance het meerdere boven het in de schuldsaneringsregeling geldende vrij te laten bedrag, aan de boedel heeft afgedragen.Een langere tijd in een minnelijk traject, het sparen tijdens een moratorium of het aflossen van schulden voorafgaand aan de schuldsaneringsregeling is in beginsel geen reden tot verkorting van de wettelijke termijn.
nietin mindering strekken en dat een langere periode in het minnelijk traject in beginsel geen reden is voor verkorting van de wettelijke termijn.
Vergelijkingstool Msnp vs. Wsnp), [40] gebaseerd is op een looptijd van het minnelijk traject van 36 maanden (de hypothetische gevalsvergelijking, zie onder 2.13). Als de looptijd van het minnelijk traject in feite langer is in gevallen waarin de schuldregeling een latere startdatum krijgt, zal dit in de vergelijkingstool moeten worden meegenomen.
subonderdeel Ais de overweging dat sprake zou zijn van een discretionaire bevoegdheid, onjuist. In de eerste plaats geeft art. 287a Fw de rechter niet de bevoegdheid om de aangeboden schuldenregeling te wijzigen. In de tweede plaats is de rechtbank daarmee buiten de rechtsstrijd is getreden en in de derde plaats had de rechtbank, indien zij de ingangsdatum wilde wijzigen, partijen in de gelegenheid moeten stellen om zich daarover uit te laten.
hof, kan de klacht niet slagen. Het hof motiveert in rov. 6 immers waarom het van oordeel is dat de ingangsdatum van de schuldregeling moet worden gesteld op de datum van het vonnis. Van een ongemotiveerde beslissing is dan ook geen sprake (en gelet op mijn opmerkingen onder 2.29 en 2.30 behoefde het hof dit ook niet uitgebreider te motiveren).