Conclusie
1.Inleiding
self storage). Zij heeft op 30 juni 2015 alle aandelen verworven in [B] BV, die onder de naam
[A]op de Nederlandse
self storagemarkt een belangrijke concurrent was (hierna:
[B]). In geschil is of [B] een onroerende-zaakrechtspersoon (OZR) was en daarmee een fictieve onroerende zaak zoals bedoeld in art. 4(1)(a) Wet op belastingen van rechtsverkeer (Wet BvR), waardoor de belanghebbende overdrachtsbelasting verschuldigd zou zijn over de waarde van [B] ’s onroerende zaken. In geschil is met name of voldaan is aan het dienstbaarheidscriterium in art. 4(1)(a): waren [B] ’s onroerende zaken, als geheel genomen, geheel of hoofdzakelijk dienstbaar aan vastgoedexploitatie?
BNB2009/91 (Toeristische camping met faciliteiten) en HR
BNB2015/14 (
Data centers).
novumis. ’s Hofs verwijzing naar het anti-ontgaanskarakter van art. 4 Wet Pro BvR draagt volgens de belanghebbende zijn oordeel over het dienstbaarheidscriterium niet, zodat middel (ii) geen feitelijke grondslag heeft. Zij acht haar geval wel degelijk vergelijkbaar met de
camping-en
data centers-arresten, zodat ‘s Hofs oordeel dat niet wordt voldaan aan het dienstbaarheids-criterium begrijpelijk en voldoende gemotiveerd is.
self storage, verkoop van dozen en sloten, verzekering van spullen, etc.) of zijn, andersom, die andere prestaties dienstbaar aan de verhuur van opslagruimte?
data center(HR
BNB2015/14) of een toeristische camping met recreatieve faciliteiten (HR
BNB2009/91),
i.e.een bedrijfsmodel waarin andere prestaties dan terbeschikkingstelling van (opslag)ruimte overheersen.
overheadrelevant is (de wet vraagt alleen naar de dienstbaarheid van het vastgoed), moet mijns inziens vastgesteld worden in hoeverre deze bezigheden toerekenbaar zijn aan terbeschikkingstelling van opslagruimte (dan gaat het om dienstbaarheid aan vastgoed-exploitatie) en in hoeverre aan diensten die losstaan van die terbeschikkingstelling.
serversin de
data centersvan HR
BNB2015/14, lijkt mij dat de uitkomst in die zaak niet anders zou zijn geweest als de
serversvan de klanten gemiddeld slechts een half jaar of korter op de
data floorzouden hebben gestaan. Daarmee treft mijns inziens middel (i) doel.
2.De feiten en het geding in feitelijke instanties
Feiten en geschil
self storageaanbiedt, i.e. verhuur van opslagruimte c.a.
self storagemarkt en was een belangrijke concurrent van de belanghebbende. Ten tijde van de overname had [B] 23 vestigingen in Nederland, waarvan 21 gevestigd in panden in (middellijke) eigendom en twee in van derden gehuurde panden.
leakage(balansverschillen), per saldo € 116.958.806. Het Hof heeft over de overnameprijs en de externe waardering van de onroerende zaken het volgende vastgesteld:
goodwillvan [B] dus kennelijk € 108 mio. Op basis van de in dit rapport aan het vastgoed toegekende waarde ad € 65 mio, zou de waarde van de
goodwill€ 43 mio belopen. Volgens de inspecteur kan dat niet juist zijn omdat volgens hem [B] verlieslatend was en een negatief eigen vermogen had en de koopsom diende om haar schulden af te lossen.
NTFR2020/1135:
NLF2020/0902) noteerde het volgende bij de Hofuitspraak:
3.Het geding in cassatie
BNB2009/91 [3] (
camping) en HR
BNB2015/14 [4] (
Data centers), nu (i) de huuropbrengsten de overige opbrengsten verre overstijgen; (ii) de prijs die [B] haar klanten berekent, is gebaseerd op het aantal door hen gebruikte m2; (iii) [B] ’s investeringen in onroerende zaken vele malen groter zijn dan haar investeringen in overige bedrijfsmiddelen; (iv) de kern van de prestatie voor haar klanten ligt in exclusief gebruik van de ruimte voor een bepaalde tijd tegen een bepaalde prijs; (v) [B] geen diensten aanbiedt die de klant relevant actief ‘ontzorgen’; (vi) veel van de andere diensten optioneel zijn en (vii) het Hof ook diensten en activiteiten vermeldt die interne bedrijfsvoering van [B] zijn, terwijl het bij het dienstbaarheidscriterium alleen gaat om de vraag welke diensten de klant worden geboden.
novumin cassatie.
4.De wet
‘Dienstbaar’ in art. 4(1)(a) Wet BvR; wetsgeschiedenis, rechtspraak en literatuur
BNB2015/14 (
Data centers; zie 5.25 hieronder).
beoogdeom vastgoed te verkrijgen, te vervreemden of te exploiteren
.Op de vraag wat dit ‘beogen’ inhield, gaf de wetsgeschiedenis geen duidelijk antwoord [19] omdat die term werd ingevoerd bij amendement. Het regeringsvoorstel ging uit van
werkzaamheid(zie 5.7 en 5.9 hierboven). [20] De toelichting op de Amendementen Koning c.s. verwijst slechts naar ‘handel’ in vastgoed door middel van ‘verdachte’ vennootschappen: [21]
BNB1975/4 [24] bevestigde u dat het bij de doeleis niet gaat om de statutaire doelomschrijving, maar om de feitelijke werkzaamheid van de vennootschap. U overwoog:
BNB1986/34 [25] oordeelde u dat lichamen die weliswaar vastgoed exploiteren, maar in het kader van een ander bedrijfsmodel dan handel in of exploitatie van onroerend goed, geen ‘verdachte’ vennootschappen zijn. Als OZR werd niet aangemerkt een houdstervennootschap die haar onroerend goed verhuurde aan haar werkmaatschappij die een ander bedrijf uitoefende dan handel in of exploitatie van onroerend goed:
BNB1992/100 [26] gaf u een kwantitatief criterium voor de toepassing van de term ‘beogen’ in art. 4(1)(a) (oud) Wet BvR:
bezitscriterium (‘hoofdzakelijk bestaan uit’) een tweede kwantitatief
dienstbaarheidscriterium (meer dan 50% ‘dienstbaar’) geïntroduceerd. Bij de herziening van de Wet BvR in 2000 [27] heeft de wetgever dat kwantitatieve dienstbaarheidscriterium gecodificeerd, zij het niet op
50% van de totale bezittingen, zoals u oordeelde, maar op
70% van de onroerende zaken, waardoor men in het uiterste geval inderdaad op circa 50% van de totale bezittingen uitkomt, nl. op 49% (70% van 70%): tenminste 70% van de (waarde van de) onroerende zaken (die minstens 70% van de bezittingen moesten uitmaken) moesten dienstbaar zijn aan het verkrijgen, vervreemden of exploiteren van onroerende zaken. Als onroerende zaken werden mede aangemerkt:
dienstbaarmoet zijn aan de handel in of exploitatie van onroerende zaken, maar doordat de vastgoed
bezitseis is verlaagd naar 50% van de totale activa, hoeft rekenkundig in het uiterste geval nog maar 70% van 50% = 35% van de totale activa dienstbaar te zijn aan de handel in of de exploitatie van onroerende zaken. Volgens de belanghebbende bedroeg de waarde van het vastgoed van [B] € 65 mio op een totaal aan bezittingen ad (volgens ’s Hofs vaststelling) € 108 mio, i.e. 60% van het totaal aan bezittingen. Van die € 65 mio aan vastgoed moet in casu minstens 70% dienstbaar zijn aan handel in of exploitatie van vastgoed, i.e. 42% van het totaal aan bezittingen.
BNB2009/91 (
camping) [36] betrof de vraag of een BV die een camping met faciliteiten exploiteert en die vaste plaatsen en toeristische plaatsen verhuurt, voldoet aan de dienstbaarheidstoets ex art. 4(1)(a) Wet BvR. De activa van de BV bestonden nagenoeg geheel uit onroerende zaken. Het hof had overwogen dat de winkel, het zwembad, de horeca en de toeristische plaatsen niet dienstbaar waren aan de exploitatie van onroerende zaken, waardoor meer dan 30% van de totale waarde van de onroerende zaken van de BV niet dienstbaar was aan exploitatie van onroerende zaken. U achtte ‘s hofs oordeel dat de exploitatie van de camping niet wezenlijk verschilde van die van een hotelbedrijf, dat volgens de wetgever niet onder de regeling valt, rechtskundig correct en voldoende onderbouwd:
i.e.vennootschappen die economisch en maatschappelijk onvoldoende verschillen van hun onroerende zaken, maar dat het oude criterium (‘verdacht’) uit de tijd van de Registratiewet 1917 is geobjectiveerd (praktisch toepasbaar gemaakt) in de Wet BvR door de kwantitatieve bezits- en de dienstbaarheidseisen (en de belang-eis in art. 4(3) Wet BvR). Bij de invoering van de Wet BvR is dan ook de vroegere tegenbewijsregeling (zie 5.6 hierboven) vervallen.
BNB2015/14 [37] (
Data centers) betrof een BV die ruimte op de
data floorsvan twee
data centersalsmede gegarandeerde energie-, koelings-, beveiligings- en verbindings-voorzieningen voor
data serversverhuurde. Zij kocht één aandeel in zichzelf in, hetgeen de fiscus belastbaar achtte. Het Hof zag in de feitelijke bedrijfsuitoefening van de BV niet overwegend exploitatie van onroerend goed, maar overwegend ICT-dienstverlening:
in housevermaaks- en bezinningsbijeenkomsten, een onderhoudsdienst voor alle lampjes, reparaties en aansluitingen, en vervoer van de bewoners naar bijvoorbeeld de kerk en het stemlokaal, etc. De aard van het bedrijf is dan niet meer de exploitatie van onroerend goed, maar de exploitatie van zorgvraag.
6.Behandeling van de middelen
self storage, verkoop van dozen en sloten, verzekering van spullen, etc.) of zijn, andersom, die andere prestaties dienstbaar aan de verhuur van opslagruimte? Is de terbeschikkingstelling van (opslag)ruimte aan klanten ondergeschikt aan andersoortige dienstverlening jegens hen, zoals in HR
BNB2015/14 (
Data centers) aan het creëren en garanderen van condities waaronder ICT-apparatuur optimaal werkt, en in HR
BNB2009/91 (camping) aan de levering van recreatieve, vakantie-, winkel- en horecadiensten?
data centerof een toeristische camping met recreatieve faciliteiten, althans een bedrijf waarin andere prestaties dan terbeschikkingstelling van (opslag)ruimte overheersen.
voor de toepassing van het dienstbaarheidscriteriumin beginsel niet ter zake, hoezeer ook art. 4 Wet Pro BvR, zo bleek boven, van oorsprong een anti-ontgaansbepaling is. Dat karakter is door de wetgever geobjectiveerd en het gaat nu om de vraag of de verkregen aandelen
objectiefvoldoende verschillen van alleen het vastgoed van de verkregen vennootschap. In beginsel is mijns inziens daarom niet relevant of de belanghebbende al dan niet overwegend overdrachtsbelasting wilde ontgaan en evenmin of zij met de verkrijging al dan niet beoogde een al dan niet belangrijke concurrent op de Nederlandse markt in te lijven.
overheadal van belang is (de wet vraagt alleen naar de dienstbaarheid van het vastgoed aan vastgoedexploitatie), zou mijns inziens vastgesteld moeten worden in hoeverre zij toerekenbaar is aan terbeschikkingstelling van opslagruimte (in zoverre gaat het om dienstbaarheid aan vastgoedexploitatie) en in hoeverre aan dienstverlening die losstaat van terbeschikkingstelling van opslagruimte, zoals terbeschikkingstelling van steekkarretjes, verhuur van aanhangwagens, verzekering van
self storedspullen en verkoop van sloten en verpakkingsmateriaal.
goodwillof
badwill, maar kennelijk is niet in geschil dat het vastgeod minstens € 65 mio waard is. Dat is meer dan 50% van de door het Hof vastgestelde waarde van de totale bezittingen, zodat deze kwestie mij verder niet relevant lijkt. De wet vraagt vervolgens immers nog slechts naar de mate (70%) van dienstbaarheid van dat vastgoed aan vastgoedexploitatie. Overigens kan ook
goodwill(en
badwill, net als
overhead, toerekenbaar zijn zowel aan opslagruimteterbeschikkingstelling als aan de overige dienstverlening. Anders gezegd: de omvang van de
overheadof de
goodwillbepaalt niet het bedrijfsmodel, maar wordt bepaald door het bedrijfsmodel.
serversin de
data centersvan HR
BNB2015/14, lijkt mij dat de uitkomst in die zaak niet anders zou zijn geweest als de
serversvan de klanten gemiddeld slechts een half jaar of korter op de
data floorzouden hebben gestaan.