Conclusie
2.Bespreking van het principaal cassatieberoep
traveaux préparatoiresis deze bepaling in de Richtlijn terechtgekomen op voorstel van de Italiaanse delegatie [10] , die het volgende tekstvoorstel had gedaan:
even though that right may no longer be invoked against the later registered trade mark."
De hierboven beschreven rechten laten bestaande eerdere rechten onverleten zijn evenmin van invloed op de mogelijkheid waarover de Leden beschikken om rechten te verlenen op grond van het gebruik.” (onderstreping toegevoegd) [12]
6.1.4 Prior signs of local significance
2. Earlier right in particular locality (para. 3).Art. 14(3) prescribes that a trade mark owner cannot prevent a third party from using an earlier right which applies in a particular locality if the earlier right is recognized by the laws of the Member State in question and the right is used in the territory in which it is recognised. This exception regards purely local use of an unregistered mark or other sign, which is itself protectable as an earlier right. A person entitled to such an earlier right may take advantage of this defence where his right to protection applies only in a particular locality. The CJ has not yet had the opportunity to interpret the meaning of ‘particular locality’ in art. 14(3) (see also art. 111, note 3 CTMR).” [16]
“Zij gebruikt daarbij de woordcombinatie [betrokkene 3] als naam waaronder zij zich bij het publiek aandient. Want de naam [betrokkene 3] staat duidelijk zichtbaar vermeld op de bussen waarmee zij haar diensten verleent. Het verrichten van diensten met bussen waarop [betrokkene 3] staat, betekent dat er sprake is van duurzaam en bekend gebruik van de naam en daarmee van het drijven van een onderneming onder de handelsnaam [betrokkene 3] ”(punt 15 inleidende dagvaarding – hierna: ID –). CCC c.s. stelt dat dat gebruik uitsluitend als handelsnaamgebruik moet worden gekwalificeerd. Nu partijen het daarover eens zijn zal het hof het verweten gebruik van de aanduiding [betrokkene 3] in ieder geval aanmerken als (onderdeel van) handelsnaamgebruik. Of tevens sprake is van merkgebruik kan gelet op hetgeen hierna wordt overwogen in het midden blijven. Indien CCC c.s. de naam [betrokkene 3] op dezelfde of een daarmee overeenstemmende wijze (ten minste als (een voor het totaalbeeld bepalend onderdeel van een) handelsnaam) al gebruikte ten tijde van het depot van het merk op 15 januari 2008, kan [eiseres] zich op grond van artikel 2.23, lid 2, BVIE niet tegen dat gebruik verzetten en is bovendien sprake van een geldige reden, zodat (ook om die reden) een beroep op artikel 2.20, lid 1, sub d, BVIE niet kan slagen. [eiseres] erkent dit uitgangspunt met dien verstande, aldus begrijpt het hof punten 82-87 MvA, dat zij stelt dat de handelsnaam daadwerkelijk moet worden gevoerd en meer dan lokaal moet worden gebruikt. Handelsnaamgebruik impliceert dat in beginsel aan de eerste eis is voldaan. De vermeende tweede eis valt niet te lezen in artikel 2.23, lid 2, BVIE, waar juist sprake is van een ouder recht van plaatselijke betekenis. Het beroep op (een beslissing over) artikel 8, lid 4, GMVo/UMV [17] kan het hof niet volgen. Dat artikel gaat over oppositie door een oudere rechthebbende tegen de inschrijving van een jonger Uniemerk en vereist, anders dan artikel 2.23, lid 2, BVIE, uitdrukkelijk een ouder recht van meer dan plaatselijke betekenis. Overigens is het hof van oordeel dat er geen goede reden is de regeling van artikel 2.23, lid 2, BVIE te beperken tot lokale rechten.
eigen(moderne) touringcars.
productie 33 van eiseres ( [eiseres] dus, hof) toont dat in 2006 Almere Tours met moderne bussen gaat rijden” (punt 13 proces-verbaal van comparitie in eerste aanleg (verder: PV));
dat wij reeds jaren voor u folieteksten produceren waar altijd de tekst [betrokkene 3] in voorkwam. De eerste leveringen hebben plaatsgevonden in 2006, zie onder andere factuur 20060032 die dit bevestigd, en bijvoorbeeld tekening A van project 79011 d.d. 13-11-2007.”(productie 23 CCC c.s.);
in het ontwerpmet een kleine letter a is geschreven terwijl op de foto’s Almere op de zijkant van
de busmet een hoofdletter A is geschreven. Als productie 22 en 55 heeft CCC c.s. foto’s overgelegd van de donkere bus 52 met een gele belettering, waarop [D] .nl op de zijkant met een kleine letter a is geschreven. Tijdens het pleidooi heeft CCC c.s. nader uiteengezet dat op de zijkant van deze bus 52 aanvankelijk [D] .nl met een kleine a in, blijkens de foto’s, gele letters was aangebracht, zoals vermeld in het ontwerp betreffende bus 52 en dat dit ontwerp dus hoort bij de eerder (in, gelet op de overgelegde factuur van 31 januari 2006, begin 2006 begrijpt het hof) aangebrachte belettering. Vervolgens is de belettering op de zijkant van de bus in november 2007 vervangen door de tekst [D] .nl met een hoofdletter A in, blijkens de foto’s bij productie 25 CCC c.s., witte letters. Nu deze uitleg ook de tekst in de mail van Haco van 29 november 2007: “het geel is alleen wit geworden” verklaart en [eiseres] deze uitleg niet gemotiveerd heeft betreden, gaat het hof van de juistheid daarvan uit.
het gebruik van het merk kan worden verboden op grond van een ander ouder rechtdan de in leden 2 en 4, onder b.), vermelde rechten, met name van:
dit teken de houder ervan het recht verleent om het gebruik van een later merk te
Ad a.Het hof is van oordeel dat het publiek het gebruik van de aanduiding [C] op de oldtimerbussen door de duidelijke plaatsing en het onderscheidende karakter zal aanmerken als (onderdeel van) handelsnaamgebruik. Het gebruikte lettertype doet daaraan niet af. Weliswaar kunnen slechts woorden of lettercombinaties dienen en beschermd worden als handelsnaam en niet figuratieve elementen, zoals een bepaalde schrijfwijze, maar dat leidt er niet toe dat een naam die is geschreven in een bepaald lettertype niet als handelsnaam kan dienen. Het hof acht de handelsnaam ook niet misleidend. Niet betwist is dat het bedrijf van VOF Amersfoort’s Bloei 1991 is voortgezet door CCC na het overlijden van [betrokkene 3] . CCC c.s. heeft gesteld dat [betrokkene 6] en haar zoons [verweerder 2] en [verweerder 3] toen zijn toegetreden tot CCC. Dat dit zo is valt af te leiden uit de door [eiseres] zelf als producties 6, 26, blad 1, en 27 overgelegde uittreksels uit de Kamer van Koophandel betreffende CCC. Op de dag van toetreding als vennoten van CCC (10 april 1995), is [betrokkene 6] blijkens productie 26, blad 3, uitgetreden uit Amersfoort’s Bloei 1991. Voorts blijkt daaruit dat [betrokkene 6] (pas) op 21 december 2000 als vennoot is uitgetreden uit CCC en ingeschreven als gevolmachtigde. [C] heeft dus wel degelijk als combinatie een busonderneming gedreven. De stelling dat [betrokkene 6] als weduwe geen aanspraak meer had op de naam [eiseres] is niet onderbouwd en kan het hof niet volgen en wordt dan ook gepasseerd.
Ad b.Uit diverse overgelegde facturen, een offerte, een formulier betreffende vervoer tussen SBS en Bg en een verklaring van F. Vos, voormalig werknemer van Connexion tours, inhoudende dat vanaf 2001 van de “firma [betrokkene 3] ” de Amerikaanse schoolbus werd ingehuurd voor scholierenvervoer (producties 27, 31 en 40 (bladzijde 4) CCC c.s.), valt af te leiden dat de Amerikaanse schoolbus (nr 51) ook is gebruikt en aangeboden voor ander personenvervoer dan vervoer voor bruiloften en partijen. Nu [eiseres] deze producties onvoldoende gemotiveerd heeft betwist, gaat het hof ervan uit dat met deze oldtimerbus wel direct concurrerende activiteiten werden verricht.
www. [D] .nl/ [D][betrokkene 3] ;