Conclusie
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
CONCLUSIE
middelklaagt vanuit verschillende gezichtspunten over het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 26 juli 2019 en voorts dat de verdachte geen gebruik heeft kunnen maken van zijn aanwezigheidsrecht.
Als raadsman van de verdachte is ter terechtzitting aanwezig mr. J.G. Roethof, advocaat te Arnhem.
[...]
De voorzitter deelt mede dat de zaak, met instemming van de raadsman en de advocaat-generaal, als voorgedragen wordt beschouwd.
De raadsman wordt in de gelegenheid gesteld de bezwaren tegen het vonnis op te geven.
De raadsman geeft op dat de verdachte de straf te zwaar acht.
Na instemming door de raadsman en de advocaat-generaal kan het dossier als voorgehouden worden beschouwd.
[...]
De raadsman voert het woord tot verdediging en deelt hiertoe het volgende mede:
Er zijn redenen om af te wijken van de straf zoals die is opgelegd door de kantonrechter. Cliënt heeft werk en daar wil hij voor gaan. Cliënt had nog twee zaken in hoger beroep lopen. In die zaken is een hechtenis voor de duur van 4 weken, waarvan 3 weken voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren opgelegd. Mijns inziens is dat een passende oplossing.
De advocaat-generaal en de raadsman krijgen de gelegenheid tot respectievelijk repliek en dupliek.
Na sluiting van het onderzoek door de voorzitter doet het gerechtshof terstond uitspraak.”
nietaanwezig was en dat sprake is van een misslag in het proces-verbaal, en wel in die zin dat abusievelijk in dat proces-verbaal is vermeld dat de voorzitter de identiteit van de ter terechtzitting aanwezige verdachte vaststelt […] en dat de verdachte antwoordt op vragen van de voorzitter te zijn genaamd etc. Ik begeef mij nu enigszins op glad ijs, want, het zij nogmaals opgemerkt, in cassatie moet worden uitgegaan van de juistheid van de inhoud van het proces-verbaal van de terechtzitting als (in cassatie) in beginsel de enige kenbron voor het ter terechtzitting voorgevallene en de aldaar in acht genomen vormen. Maar dát de verdachte in hoger beroep niet ter terechtzitting aanwezig was, lijkt ook te volgen uit de detentieverklaring d.d. 23 december 2019 van de Dienst Justitiële Inrichtingen van het ministerie van Justitie en Veiligheid, die aan de schriftuur is gehecht en aan de herkomst en betrouwbaarheid waarvan mijns inziens in redelijkheid niet hoeft te worden getwijfeld. Uit deze detentieverklaring blijkt dat de verdachte op 24 juli 2019 in verzekering was gesteld en op 26 juli 2019 was overgebracht naar het Justitieel Complex Zaanstad, en dus dat de verdachte ten tijde van de behandeling van zijn zaak in hoger beroep was gedetineerd. Dit wordt bevestigd door het door mij opgevraagde detentieoverzicht van de verdachte d.d. 28 februari 2020. Daar komt bij dat het dan niet anders kan dan dat de verdachte toen
uit anderen hoofdewas gedetineerd. Het onderhavige feit is namelijk gepleegd op 6 maart 2018, terwijl ook de aard van dit feit – een overtreding waarvoor geen voorlopige hechtenis mogelijk is – op detentie voor iets anders duidt.
NJ2016/486, m.nt. Kooijmans: indien de verdachte aan wie de dagvaarding in persoon is uitgereikt niet op de terechtzitting is verschenen en de ter terechtzitting wel aanwezige, door de verdachte uitdrukkelijk gevolmachtigde raadsman geen aanhoudingsverzoek doet met het oog op de uitoefening van het aanwezigheidsrecht door de verdachte, kan de rechter (onder de gegeven omstandigheden) uitgaan van het vermoeden dat de verdachte vrijwillig afstand heeft gedaan van zijn recht om in zijn tegenwoordigheid te worden berecht. In dit arrest bleek uit de TULP/MIR Registratiekaart dat de verdachte sinds 20 april 2015 was gedetineerd, dat wil zeggen reeds enkele weken voorafgaand aan de behandeling ter terechtzitting van 6 mei 2015. In die situatie, aldus de Hoge Raad, brengt de enkele omstandigheid dat de verdachte zich ten tijde van de behandeling van zijn strafzaak in detentie bevond zonder dat dit de rechter bekend was, niet mee dat achteraf moet worden vastgesteld dat feitelijk aan het recht van de verdachte om in zijn tegenwoordigheid te worden berecht, is tekortgedaan.
NJ2017/279 was de verdachte zeer kort (een klein uur) voor de aanvang van de terechtzitting in hoger beroep door de politie “meegenomen” en vervolgens ingesloten op het politiebureau en had hij tegen de politie gezegd dat hij om 11:40 uur een zitting had. De Hoge Raad overwoog: “Dit brengt met zich dat achteraf moet worden vastgesteld dat aan het recht van de verdachte om in zijn tegenwoordigheid te worden berecht, is tekortgedaan”. Met “dit” doelde de Hoge Raad kennelijk op die zeer korte tijdsduur en de mededeling van de verdachte over het zittingstijdstip. Uit de vervolgoverweging van de Hoge Raad kan evenwel worden afgeleid dat die mededeling van de verdachte in het oordeel van de Hoge Raad geen substantiële rol heeft gespeeld. In rechtsoverweging 2.6 tekende de Hoge Raad namelijk expliciet aan “dat de onderhavige zaak verschilt van de zaak die aan de orde was in HR 4 oktober 2016, ECLI:NL:HR:2016:2240,
NJ2016/486 in die zin dat het daar ging om een verdachte die al enkele weken gedetineerd was voordat de terechtzitting plaatsvond in welk geval kan worden aangenomen dat de verdachte in voldoende mate in de gelegenheid is geweest een aanhoudingsverzoek te (doen) indienen”. [8] De mededeling van de verdachte over het zittingstijdstip wordt in dit verband niet genoemd. Ik kom derhalve tot de slotsom dat de rechtspraak van de Hoge Raad te dezen aldus moet worden verstaan dat de uitzonderingssituatie als bedoeld in HR 4 oktober 2016, ECLI:NL:HR:2016:2240,
NJ2016/486 zich niet voordoet indien de verdachte zeer kort voor de terechtzitting is gedetineerd. De vraag die dan resteert is wanneer gezegd kan worden dat er onvoldoende gelegenheid is geweest tot het indienen van een aanhoudingsverzoek. Ik meen uit de rechtspraak van de Hoge Raad te kunnen afleiden dat daarvan (nog) sprake is wanneer de verdachte enkele dagen voor de behandeling ter terechtzitting uit anderen hoofde is gedetineerd; ook zo een geval kan met zich brengen dat het aanwezigheidsrecht van de verdachte in vorenbedoelde zin is geschonden. [9]