Conclusie
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
CONCLUSIE
II De middelen
III De bewezenverklaring, de bewijsvoering en de kwalificatieoverweging
Bewijsoverweging
IV Art. 5:14E APV Haarlemmermeer 2016 en het Aanwijzingsbesluit verbodsgebied aanbieden taxidiensten Schiphol
Artikel 5:14E Het aanbieden van taxidiensten
NJ2001/14 heeft de Hoge Raad inzake deze materie overwogen:
NJ1999/61 over het bepaalde in art. 54 (oud) APV Amsterdam, luidende: "Het is verboden zich zonder redelijk doel of op voor anderen hinderlijke wijze op te houden in een portaal, telefooncel, parkeergarage of een andere soortgelijke, voor het publiek toegankelijke ruimte dan wel deze te verontreinigen en/of te bezigen voor een ander doel dan waarvoor deze ruimten bestemd zijn". Deze bepaling was volgens de Hoge Raad niet in strijd met het bepaaldheidsgebod, nu de norm in zoverre was geconcretiseerd dat het ging om in dat artikel omschreven gedrag in onder andere een portaal. In HR 28 maart 2006, ECLI:NL:HR:2006:AV1612 ging het om de vraag of de termen “zonder daartoe bevoegd te zijn” en “redelijk doel” in art. 78, eerste lid, APV Den Haag 1982 – luidende: “Het is verboden zonder daartoe bevoegd te zijn, op of aan de weg: a. in een raamkozijn of op een drempel of stoep van een gebouw te zitten of te liggen; b. tegen een deur of raam van een gebouw te leunen; c. zich zonder redelijk doel in een portiek of poort op te houden" – voldoende geconcretiseerd waren in de zin van art. 1 Sr Pro. Mijn voormalig ambtgenoot Vellinga was van mening dat de verbodsbepaling voldoende bepaald was en nam daarbij onder meer in overweging dat geconcretiseerd was omschreven om welk gedrag het ging (zitten, liggen, leunen, dan wel zich ophouden) op bepaalde, in het artikel aangeduide plekken (een raamkozijn, drempel, stoep, deur of raam van een gebouw, een portiek en een poort). En een redelijke uitleg voor het zinsdeel “zonder daartoe bevoegd te zijn” was dat de overtreder toestemming van de eigenaar dan wel gebruiker moest hebben wilde hij zich straffeloos op de in het artikel omschreven wijze gedragen. De Hoge Raad deed de zaak af met de aan art. 81, eerste lid, RO ontleende motivering. [10]
NJ1970/449, m.nt. Enschedé stond art 14a, eerste lid, van de APV van Westerschouwen centraal. Deze bepaling hield in: “B en W kunnen in het belang van de openbare orde, zedelijkheid, gezondheid en welstand bepaalde gedeelten van de gemeente, dan wel terreinen of gedeelten van terreinen aanwijzen, waarop het zonder toestemming van B en W verboden is een of meer tenten, caravans, niet-verrijdbare trams of spoorwagens, autobus- of vrachtwagencarrosserieën, of andere aan hun bestemming onttrokken middelen van vervoer te plaatsen of te hebben, dan wel te gedogen, dat deze daarop worden geplaatst”. Door het hof was de verweten gedraging gekwalificeerd als “overtreding van art. 14a, lid 1, APV Westerschouwen”. De Hoge Raad oordeelde dat die bepaling wel aan het college van B en W de bevoegdheid gaf in het in dat artikel omschreven belang gedeelten van de gemeente dan wel terreinen of gedeelten van terreinen aan te wijzen als plaatsen waar het verboden was te kamperen, maar dat dit artikel geen verbod inhield en daarop dan ook geen in die APV genoemde strafbepaling van toepassing kon zijn. Enschedé merkt in zijn noot onder dit arrest op dat de strafbepaling (die in het arrest niet kon worden teruggevonden, te weten art. 160) inhield: “Op overtreding van deze verordening wordt gesteld hechtenis [...]”. Deze delictsomschrijving – dat wil zeggen “overtreding van deze verordening” –, aldus Enschedé, bestreek alleen gedrag dat, getoetst aan een in de verordening voorkomend tot verdachte gericht gedragsvoorschrift, wederrechtelijk is. Dat was volgens Enschedé een begrijpelijke en in APV's gebruikelijke delictsomschrijving, aangezien de strafwetgevende bevoegdheid van de gemeente niet verder reikte. De vraag was of in de APV een tot de verdachte gericht gedragsvoorschrift stond dat door het bewezenverklaarde gedrag was geschonden. De Hoge Raad oordeelde de delictsomschrijving van art. 160 in Pro geen geval vervuld, onverschillig of die regeling nu verbindend was of niet, want er kan geen “overtreding van deze verordening”, en in het bijzonder van art. 14a, eerste lid, zijn omdat dit voorschrift niet een tot verdachte gerichte verplichtende norm inhield maar een tot B en W gerichte veroorlovende norm; art. 14a, eerste lid, kende immers aan het college een bevoegdheid toe gedeelten van de gemeente aan te wijzen waarvoor een kampeerverbod zou gelden.
bij of krachtensdeze verordening bepaalde” en de door het hof gegeven kwalificatie van “overtreding van het
bijartikel 5:14E lid 1 van de Algemene Plaatselijke Verordening Haarlemmermeer 2016 bepaalde”. Ik meen echter dat dit verschil hier van geen betekenis is. De verdachte heeft volgens de tenlastelegging, bewezenverklaring en kwalificatie in onderlinge samenhang bezien enkel in strijd gehandeld met het aanwijzingsbesluit van de burgemeester, maar hij heeft daarmee
nieteen verbodsnorm uit de APV Haarlemmermeer 2016 overtreden.