“De verdachte genaamd:
[…]
is, hoewel behoorlijk gedagvaard, niet ter zitting verschenen.
Als raadsman van verdachte is ter terechtzitting aanwezig mr. P.C. Saris, advocaat te Eindhoven.
[…]
De raadsman deelt het volgende mede:
Ik ben niet gemachtigd, maar doe een verzoek om aanhouding van de behandeling van deze strafzaak. Ik heb gesignaleerd dat geen schriftuur met grieven is ingediend. Het is in het belang van cliënt, die ik al jaren bijstand verleen en die zich normaalgesproken goed laat vinden, dat hij zich kan verantwoorden tegenover het gerechtshof en gebruik kan maken van zijn aanwezigheidsrecht. Mij is niet gebleken dat cliënt op de hoogte is van de zitting en ook niet dat de dagvaarding juist is betekend. Voor de belangenafweging die het hof zal moeten maken is van belang dat bezwaren tegen het vonnis van de politierechter bestaan. Ik verzoek u daarom of ik een laatste poging mag doen cliënt te vinden. Zijn laatste verblijfplaats voor zijn detentie in 2017 is Spanje geweest, ik ben druk doende om met hem daar in contact te komen. Ik heb een Spaans telefoonnummer ontvangen, maar op dat nummer is mijn cliënt niet te bereiken omdat dat nummer is overgegaan naar een ander persoon.
De voorzitter deelt mede:
Verdachte is vanaf 5 juni 2018 uitgeschreven uit het BRP onder vermelding van het adres ‘vertrokken onbekend waarheen’. Betekening van de dagvaarding in hoger beroep heeft in augustus 2018 plaatsgevonden op de adressen ‘thans zonder vaste woon- of verblijfplaats hier te lande’ en [a-straat 1], [postcode] te [plaats].
De betekening lijkt dus in orde.
De advocaat-generaal deelt mede:
Het vonnis van de politierechter van 1 september 2017 geeft er blijk van dat verdachte op de zitting van diezelfde datum aanwezig was. Op dezelfde dag is door mr. Oerlemans hoger beroep ingesteld, maar een schriftuur met grieven is niet ontvangen. De betekening van de dagvaarding in hoger beroep is naar mijn oordeel geldig. Mr. Saris geeft te kennen dat hij zijn cliënt niet direct heeft gesproken. Ik vind daarom dat geen grond voor aanhouding van de behandeling van de zaak bestaat en dat het hoger beroep van verdachte niet-ontvankelijk moet worden verklaard, waarbij ik vermeld dat ik ook op de inhoud van de strafzaak heb gelet.
De zitting wordt onderbroken voor beraad in raadkamer.
Na hervatting van de zitting deelt de voorzitter als beslissing van het hof het volgende mede: Verdachte heeft hoger beroep doen instellen en de dagvaarding voor de terechtzitting van heden is correct betekend. Mede omdat verdachte, die wist dat op enig moment in hoger beroep een strafzaak tegen hem zou worden behandeld, zich voor zijn advocaat niet bereikbaar heeft gehouden, is (ook voor zijn raadsman) niet duidelijk geworden waarom verdachte heden niet aanwezig is en of hij aanwezig wenst te zijn. De raadsman van verdachte beschikt voorts niet over actuele contactgegevens van zijn cliënt. Dat verdachte van zijn aanwezigheidsrecht gebruik wenst te maken, is derhalve niet aannemelijk geworden. Het verzoek tot schorsing van het onderzoek ter terechtzitting wordt afgewezen.”
5. Vooropgesteld dient te worden dat blijkens het overzichtsarrest van de Hoge Raad van 16 oktober 2018, ECLI:NL:HR:2018:1934,NJ2019/285, m.nt. Mevis ook een raadsman die niet gemachtigd is tot het voeren van de verdediging van de niet ter terechtzitting verschenen verdachte een verzoek tot aanhouding van het onderzoek ter terechtzitting kan doen voor zover dat verzoek wordt gedaan met het oog op de effectuering van het aanwezigheidsrecht van de verdachte of ten behoeve van het alsnog verkrijgen van die machtiging.Nadat de Hoge Raad in zijn arrest van 9 juli 2019, ECLI:NL:HR:2019:1142,NJ2020/24, m.nt. Mevisdie vooropstelling nog eens heeft aangehaald, laat hij zich specifiek uit over de grond dat de aan het aanhoudingsverzoek ten grondslag gelegde omstandigheid niet aannemelijk is, zulks in het licht van de (geopperde) mogelijkheid dat de verdachte geen weet heeft van de zitting, waarbij hij in de rechtsoverwegingen 2.4.1, 2.4.2 en 2.4.3 stapsgewijs drie situaties met een eigen beoordelingskader van elkaar onderscheidt. Voor een goed begrip, en voor zover voor de beoordeling van het middel van belang, geef ik hier de rechtsoverwegingen van de Hoge Raad nog eens weer, waarbij ik, met het oog op de onderhavige zaak, in het bijzonder aandacht vraag voor rov. 2.4.4: