Conclusie
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
CONCLUSIE
middelklaagt dat het hof het aanhoudingsverzoek in verband met de afwezigheid van de verdachte op een onjuiste grond heeft afgewezen, dan wel de beslissing tot afwijzing onbegrijpelijk heeft gemotiveerd nu daaruit niet blijkt van een belangenafweging.
NJ2019/285, m.nt. Mevis ook een raadsman die niet gemachtigd is tot het voeren van de verdediging van de niet ter terechtzitting verschenen verdachte een verzoek tot aanhouding van het onderzoek ter terechtzitting kan doen voor zover dat verzoek wordt gedaan met het oog op de effectuering van het aanwezigheidsrecht van de verdachte of ten behoeve van het alsnog verkrijgen van die machtiging. [1] Nadat de Hoge Raad in zijn arrest van 9 juli 2019, ECLI:NL:HR:2019:1142,
NJ2020/24, m.nt. Mevis [2] die vooropstelling nog eens heeft aangehaald, laat hij zich specifiek uit over de grond dat de aan het aanhoudingsverzoek ten grondslag gelegde omstandigheid niet aannemelijk is, zulks in het licht van de (geopperde) mogelijkheid dat de verdachte geen weet heeft van de zitting, waarbij hij in de rechtsoverwegingen 2.4.1, 2.4.2 en 2.4.3 stapsgewijs drie situaties met een eigen beoordelingskader van elkaar onderscheidt. Voor een goed begrip, en voor zover voor de beoordeling van het middel van belang, geef ik hier de rechtsoverwegingen van de Hoge Raad nog eens weer, waarbij ik, met het oog op de onderhavige zaak, in het bijzonder aandacht vraag voor rov. 2.4.4:
nietkan afwijzen op de ‘niet-aannemelijkheids-grond’. Voor afwijzing is
in dat gevalde door de Hoge Raad verwoorde belangenafweging vereist. [4]