Conclusie
Deltaborgh Investments B.V.
Aqua Twente B.V.,
Vitens), een kadastraal aangeduid waterleidingnetwerk verkocht en dit vervolgens via een ABC-levering overgedragen aan eiseres sub 1 (hierna:
Deltaborgh). Deltaborgh heeft het netwerk op haar beurt verkocht en geleverd aan eiseres sub 2 (hierna:
Aqua Twente). Achteraf blijkt dat het netwerk niet alleen industriewaterleidingen maar ook drinkwaterleidingen omvat. Vitens stelt zich op het standpunt dat het nooit de bedoeling is geweest om de drinkwaterleidingen te verkopen en beroept zich onder meer op wederzijdse dwaling omtrent hetgeen het verkochte netwerk omvat. Rechtbank en hof honoreren het beroep op dwaling, maar het door het hof bekrachtigde vonnis bevat geen uitdrukkelijk dictum waarin de vernietiging wordt uitgesproken. Bovendien is het vonnis gewezen in een procedure tussen Vitens en Deltaborgh, waarbij een derde contractspartij niet was betrokken. Ten slotte zijn Deltaborgh en Aqua Twente (hierna in vrouwelijk enkelvoud tezamen:
Deltaborgh c.s.) veroordeeld tot medewerking aan
terugleveringvan de waterleidingen. Over deze drie punten gaan de belangrijkste cassatieklachten. Daarnaast wordt nog geklaagd over het oordeel dat sprake is van gemeenschappelijke dwaling en dat de dwaling niet voor rekening van Vitens behoeft te blijven. De laatste klacht ziet op het onbehandeld laten van een grief.
1.Feiten en procesverloop
Begripsbepalingen
B.I.C.) en Deltaborgh een overeenkomst tot verkoop van het grasland (“
registergoed A”) (voor € 315.500,-) en van de watercentrale (“
registergoed B”) en het waterleidingnetwerk (“
registergoed C”) (voor samen € 236.000,-) (hierna:
de koopovereenkomst) [7] . Daarbij werd onder meer bedongen dat Vitens de watercentrale en het waterleidingnetwerk kosteloos mocht blijven gebruiken tot 1 januari 2012 en dat Vitens deze zaken uiterlijk op 17 februari 2012 diende af te leveren, op straffe van een boete van € 1.762,50 per dag.
Eigenaar [Vitens, toev. A-G] heeft – met meer onroerend goed – verkocht aan verkoper [B.I.C., toev. A-G], die heeft gekocht:
Verkoper heeft op haar beurt – met meer onroerend goed – het registergoed verkocht aan koper [Deltaborgh, toev. A-G], die het registergoed heeft gekocht, waarvan eveneens blijkt uit de hiervoor onder 1.1. gemelde koopovereenkomst.”
Het registergoed is door (een rechtsvoorganger) van eigenaar aangelegd en eigenaar heeft de aanleg van het registergoed doen inschrijven in de landelijke openbare registers van het Kadaster door inschrijving op eenentwintig juni tweeduizendelf (...)"
Koper is voornemens het registergoed te gebruiken als industriewater transportleidingnetwerk".
Ter uitvoering van het vorenstaande levert eigenaar het registergoed aan koper die dit in eigendom aanvaardt."
in conventie) gevorderd dat de rechtbank bij uitvoerbaar bij voorraad verklaard vonnis zal uitspreken:
primairevorderingen ten grondslag gelegd dat slechts de door haar voor industriewater gebruikte leidingen zijn overgedragen, en niet ook de door haar voor drinkwater gebruikte en te gebruiken leidingen (zoals die abusievelijk ook op de geregistreerde netwerktekeningen zijn vermeld). [15] Subsidiairberoept zij zich op (wederzijdse) dwaling omtrent hetgeen het door haar verkochte “registergoed C” (waterleidingnetwerk) omvatte. [16]
in reconventieingesteld (tot onder meer feitelijke (af)levering van ontbrekende waterleidingen, vergoeding van schade en staking van onrechtmatig gebruik van aan haar verkochte waterleidingen). Deze zijn in cassatie echter niet van belang en zullen derhalve in het navolgende (inhoudelijk) niet verder aan de orde komen.
primairgevorderde verklaringen voor recht sub
a)en
b)moeten worden afgewezen (rov. 5.9). Voor de toewijsbaarheid van de
primairsub
c)gevorderde rectificatie acht de rechtbank het nodig om vast te stellen of er door de registratie van de leveringsakte iets anders is overgedragen dan partijen bij de koopovereenkomst hadden verkocht en gekocht (rov. 5.10-5.12).
subsidiairevordering in conventie toe te wijzen, met inbegrip van veroordeling van Deltaborgh c.s. tot verlening van medewerking aan teruglevering van de waterleidingen die ten tijde van het sluiten van de overeenkomst bij Vitens in gebruik waren als drinkwaterleidingen (rov. 5.24).
in conventieDeltaborgh en Aqua Twente veroordeeld tot medewerking aan teruglevering van de andere leidingen dan industriewaterleidingen, in het bijzonder door het verlenen van een onherroepelijke volmacht met de bevoegdheid tot substitutie aan een bevoegde medewerker van Dirkzwager advocaten en notarissen N.V., om de daartoe benodigde akte te ondertekenen, al datgene te doen en laten verrichten wat ter zake vereist mocht zijn, onder verbeurte van een dwangsom van € 750,- per dag dat Deltaborgh en/of Aqua Twente in gebreke blijft/blijven, een en ander met inachtneming van de door Vitens bij haar akte van 20 september 2017 als productie 13 in het geding gebrachte tekening, Deltaborgh c.s. hoofdelijk veroordeeld in de proceskosten en het meer of anders gevorderde afgewezen (rov. 3.1-3.3).
.
grieven 2 en 3) en het (verworpen) beroep op de bescherming van art. 3:88 lid 1 BW Pro van Deltaborgh c.s. (
grief 4).
2.Bespreking van het cassatiemiddel
onder (i)dat het hof heeft miskend dat het hier een driepartijenovereenkomst betreft die niet zonder betrokkenheid van B.I.C. als procespartij kon worden vernietigd,
onder (ii)dat in de door het hof bekrachtigde vonnissen van de rechtbank de overeenkomst niet daadwerkelijk is vernietigd, zodat er geen rechtsgrond was voor toewijzing van op vernietiging gebaseerde vorderingen, en
onder (iii)dat het hof heeft miskend dat, gelet op de terugwerkende kracht van een vernietiging wegens dwaling, teruglevering niet aan de orde kan zijn.
onderdeel 3betreft het passeren van enkele stellingen met betrekking tot de vraag of de dwaling voor rekening van Vitens had behoren te blijven.
Onderdeel 4bevat een voortbouwende klacht.
Onderdeel 5, ten slotte, klaagt dat het hof grief 5 van Deltaborgh c.s. ten onrechte niet heeft behandeld, althans zonder motivering heeft verworpen.
inclusiefde op die tekeningen vermelde leidingen die door Vitens destijds werden gebruikt voor het transport van drinkwater en ten aanzien waarvan Vitens thans stelt dat het nooit de bedoeling is geweest om deze over te dragen. Tegen het desbetreffende oordeel van de rechtbank en de afwijzing van het (primair) gevorderde – waaronder een verklaring voor recht dat uitsluitend de industriewaterleidingen zijn overgedragen – is Vitens niet in (incidenteel) appel gekomen. Op het hoger beroep van Deltaborgh c.s. heeft het hof uitsluitend het (subsidiaire) beroep van Vitens op dwaling (en het op art. 3:88 lid 1 BW Pro gebaseerde verweer van Deltaborgh c.s.) beoordeeld.
gedeeltelijke vernietiging van de koopovereenkomst van 27/28 juni 2011 wegens dwaling, namelijk vernietiging van de koopovereenkomst met betrekking tot “registergoed C” voor zover registergoed C andere leidingen dan industriewaterleidingen omvat.”
hen die partij bij de rechtshandeling zijn. Indien het om een meerpartijenovereenkomst gaat, moet de rechtsvordering dan ook tegen alle contractspartijen worden ingesteld. [23]
de koopovereenkomst van 27/28 juni 2011” waarbij, naast Vitens zelf, tevens B.I.C. en Deltaborgh contractspartijen zijn, diende Vitens zowel B.I.C. als Deltaborgh in het geding te betrekken. Zij heeft echter B.I.C. niet gedagvaard, naar eigen zeggen omdat B.I.C. (“FC Twente”) zich bereid had getoond om mee te werken aan rectificatie van de netwerkregistratieakte met bijbehorende tekeningen en van de twee leveringsakten [26] (hetgeen, zo merk ik op, het doel was van haar
primairevordering).
exceptio plurium litis consortium(het verweer dat bepaalde partijen niet in het geding zijn betrokken) en de rechtbank heeft zonder nadere (ambtshalve) overwegingen op dit punt de vernietiging toewijsbaar geoordeeld en de daarop geënte vordering tot teruglevering toegewezen. In hoger beroep heeft Deltaborgh c.s. als appellante evenmin grieven en/of bezwaren opgeworpen tegen het ontbreken van B.I.C. als procespartij in eerste aanleg en/of in hoger beroep. Het hof heeft de beslissing van de rechtbank ter zake het dwalingsberoep van Vitens bekrachtigd, zonder (ambtshalve) overwegingen te wijden aan de al of niet noodzakelijke processuele betrokkenheid van B.I.C.
.Het hof had L (appellant) gelegenheid moeten geven om hen alsnog op te roepen. Daarom kon het arrest van het hof niet in stand blijven. Overwogen werd dat S en K na verwijzing alsnog in het hoger beroep moesten worden betrokken en dat dit kon door hen mede op te roepen om in het geding na verwijzing als partij te verschijnen (rov. 3.8). Daarop werd het bestreden arrest vernietigd, met verwijzing van het geding naar een ander hof.
ambtshalve verplichtingvoor de rechter. Ook deze geldt zowel in eerste aanleg als na aanwending van een rechtsmiddel (rov. 3.6.1). Wordt van de geboden herstelmogelijkheid niet (tijdig) gebruik gemaakt, dan dient de partij die de beslissing over de processueel ondeelbare rechtsverhouding wil uitlokken niet-ontvankelijk te worden verklaard in haar vordering respectievelijk het door haar aangewende rechtsmiddel (rov. 3.6.2).
Vitensgelegenheid te geven tot oproeping van B.I.C. op de voet van art. 118 Rv Pro. Afzonderlijk bezien zou vaststelling (ii) het hof ertoe hebben moeten brengen om
Deltaborghgelegenheid te geven tot oproeping op de voet van art. 118 Rv Pro. Wat er zij van de door het hof te volgen route, de slotsom is dat het thans bestreden arrest in ieder geval niet in stand kan blijven.
subonderdeel 1(i)slaagt.