Uitspraak
gevestigd te Amsterdam,
gevestigd te Amsterdam,
2.Beantwoording van de prejudiciële vragen
Dexia vordert in reconventie onder meer een verklaring voor recht dat de effectenleaseovereenkomst rechtsgeldig tot stand is gekomen, niet is vernietigd en niet blootstaat aan vernietiging op enige grond waarop door Leaseproces een beroep kan worden gedaan.
In de huidige procedure doet Leaseproces een beroep op de stuitende werking van de dagvaarding van 13 maart 2003 in de collectieve procedure van de stichting Eegalease en anderen tegen Dexia (hierna: de collectieve procedure). De man heeft in de procedure die heeft geleid tot het vonnis van 27 februari 2013 geen beroep gedaan op die stuitende werking. Pas na het vonnis van 27 februari 2013 is komen vast te staan dat de collectieve procedure de verjaring van de mogelijkheid om de effectenleaseovereenkomst te vernietigen heeft gestuit en wel tot uiterlijk zes maanden na de beschikking van 25 januari 2007 van het hof Amsterdam waarin de WCAM-overeenkomst verbindend is verklaard. Voor effectenleaseovereenkomsten die na 13 maart 2000 zijn aangegaan, zoals in deze zaak, heeft dit tot gevolg dat de bevoegdheid om de effectenleaseovereenkomst te vernietigen niet is verjaard. (rov. 3.7)
In het vonnis van 27 februari 2013 heeft de kantonrechter beslist over de rechtsbetrekking die in dit geding in geschil is, namelijk de vernietiging van de effectenleaseovereenkomst door de vrouw op grond van het ontbreken van haar (schriftelijke) toestemming voor het aangaan van de overeenkomst en de daaruit voortvloeiende (restitutie)vordering(en). De bijzondere regeling van art. 1:88 BW Pro in verbinding met art. 1:89 BW Pro maakt het mogelijk dat niet alleen de handelende echtgenoot, maar ook de niet handelende echtgenoot de rechtsvorderingen kan instellen die voortvloeien uit een beroep op de vernietigingsgrond van art. 1:89 lid 1 BW Pro. Dat roept de vraag op of in het geval waarin beide echtgenoten ieder in een eigen procedure tegen dezelfde wederpartij van deze bevoegdheid gebruik maken, sprake is van dezelfde partijen in de zin van art. 236 Rv Pro. In deze procedure ziet het hof de vordering van Leaseproces als een vordering van alleen de vrouw; dat in dezelfde akte van cessie ook vorderingen van de man aan Leaseproces zijn overgedragen, maakt dit niet anders. (rov. 3.8)
Leaseproces wijst er met juistheid op dat de ratio van art. 1:88 BW Pro is echtgenoten in hun onderlinge verhouding, dus ten opzichte van elkaar, te beschermen. Uit eerdere rechtspraak volgt dat, indien de handelende echtgenoot door een vaststellingsovereenkomst met Dexia afstand heeft gedaan van alle rechten uit hoofde van of verband houdende met de effectenleaseovereenkomst, de niet handelende echtgenoot bevoegd blijft om de effectenleaseovereenkomst op grond van art. 1:88 lid Pro 1, aanhef en onder d, BW te vernietigen. Omdat de bevoegdheid tot vernietiging niet aan de handelende echtgenoot toekomt, maar alleen aan de niet handelende echtgenoot, heeft de handelende echtgenoot van die bevoegdheid geen afstand kunnen doen. In het verlengde daarvan heeft de handelende echtgenoot ook geen afstand kunnen doen van de in art. 1:89 lid 5 BW Pro aan de niet handelende echtgenoot toegekende bevoegdheid om alle uit de nietigheid voortvloeiende rechtsvorderingen in te stellen. (rov. 3.10)
,van de effectenleaseovereenkomst, moeten worden beschouwd als ingesteld ten behoeve van de gezamenlijke echtgenoten, zodat de daarop gegeven beslissingen die zijn vervat in een in kracht van gewijsde gegaan vonnis, bindende kracht hebben jegens beide echtgenoten. Uit rov. 3.11 van het eerste tussenarrest (hiervoor in 2.5.1 weergegeven) blijkt dat het hof daarbij het oog heeft op de mogelijkheid dat ter zake van de in geding zijnde vorderingsrechten een gemeenschap bestaat als bedoeld in art. 3:166 BW Pro, in welk geval iedere deelgenoot rechtsvorderingen kan instellen ter verkrijging van een rechterlijke uitspraak ten behoeve van de gemeenschap (art. 3:171 BW Pro, zie hiervoor in 2.7.3).
–bindende kracht heeft in de zin van art. 236 Rv Pro (de Hoge Raad begrijpt: op andere gronden dan bedoeld in de eerste vraag) niet alleen jegens de echtgenoot die in het geding als procespartij is opgetreden, maar ook jegens de andere echtgenoot die geen formele procespartij was in dat geding.
Een onherroepelijke beslissing in een procedure over de gegrondheid van het beroep op art. 1:89 lid 1 BW Pro, waarin slechts een van beide echtgenoten als procespartij is opgetreden, heeft niet op de voet van art. 236 Rv Pro gezag van gewijsde jegens de echtgenoot die niet (van de aanvang af, of na voeging, tussenkomst, of oproeping op de voet van art. 118 Rv Pro) als procespartij in die procedure betrokken is geweest.
Echter, uit de strekking en de kenmerken van de regeling van de art. 1:88 BW Pro en 1:89 BW vloeit voort dat met een onherroepelijke beslissing over de gegrondheid van het beroep op art. 1:89 lid 1 BW Pro die is gegeven in een procedure tussen de niet handelende echtgenoot en de wederpartij, ook tussen de wederpartij en de handelende echtgenoot vaststaat of de vernietiging rechtsgevolg heeft gehad, ook indien laatstgenoemde niet als partij in die procedure betrokken is geweest.
3.Beslissing
24 april 2020.