Conclusie
1.Feiten
3.2 Vaststelling door experts
2.Het procesverloop
In eerste aanleg
%heeft plaatsgevonden. (…)”
3.Bespreking van het cassatiemiddel
feitelijkzou zijn gebeurd indien [verweerster] haar zorgplicht zou zijn nagekomen. Het hof heeft ten onrechte niet onderzocht wat feitelijk zou zijn gebeurd indien [verweerster] haar zorgplicht zou zijn nagekomen en in het bijzonder niet wat de verzekerde som dan zou zijn geweest en welke uitkering Nationale Nederlanden dan zou hebben gedaan.
vaststaandat geen sprake was van onderverzekering. Het hof heeft de vraag naar het bestaan van onderverzekering nadrukkelijk onbeantwoord gelaten.
op grond van het door [verweerster] aangedragen formele argument.Deze inhoudelijke kwestie wordt echter niet door subonderdeel 1.1 aan de orde gesteld, maar door subonderdelen 1.2 en 1.3. Ik zal die subonderdelen gezamenlijk bespreken, nu zij beide het oordeel van het hof in rov. 3.5.4.4 bestrijden dat [eiser] gebonden is aan de waarderingen van [betrokkene 2] en [betrokkene 3] uit 2002.
jegens [verweerster]gebonden geacht aan de (door de contra-expert van [eiser] geaccordeerde) waardering van 2002 (rov. 3.5.4.4, zesde alinea). Dit oordeel van het hof is mijns inziens onvoldoende gemotiveerd. Het hof heeft [eiser]
jegens [verweerster]n gebonden geacht aan de op artikel 3.2 van de polisvoorwaarden van de Perfect-Extra gebouwenverzekering gebaseerde schadevaststelling in 2002 (de tweede alinea van rov. 3.5.4.4), waarbij het hof een uitleg van deze bepaling heeft gegeven (de vijfde alinea van rov. 3.5.4.4), maar deze bepaling voorziet slechts in gebondenheid van [eiser]
jegens Nationale Nederlanden. [verweerster] komt hierop dus, in beginsel, geen beroep toe. Dit laatste heeft het hof – anders dan in het kader van de rechtsklacht van sub-subonderdeel 1.2.1 wordt betoogd – niet miskend (zie immers de tweede alinea van rov. 3.5.4.4), maar de omstandigheden die het hof ten grondslag heeft gelegd aan zijn oordeel dat, ook al raakte de taxatie in 2002 [verweerster] niet, [verweerster] [eiser] daar toch aan mag houden, kunnen het oordeel van het hof niet dragen. Zo valt niet in te zien waarom daartoe redengevend kan zijn dat [eiser] in 2002 geen specifieke bezwaren heeft geuit tegen de begroting van de herbouwwaarde, dat van een inhoudelijk bezwaar van [eiser] tegen de taxatie destijds niet is gebleken en dat de vraag of er sprake was van onderverzekering, laat staan dat Nationale Nederlanden daarop een beroep deed, in 2002 in het geheel niet aan de orde was. Deze omstandigheden hebben zich immers afgespeeld in de verhouding tussen [eiser] en Nationale Nederlanden en dus niet in de verhouding tussen [eiser] en [verweerster] . Uit het (aanvankelijke) akkoord van [eiser] met de begroting van de herbouwwaarde (randnummers 1.9 en 1.10), althans uit de omstandigheid dat [eiser] geen inhoudelijk bezwaar heeft gemaakt tegen de begroting van de herbouwwaarde, heeft [verweerster] niet kunnen afleiden dat [eiser] , mocht later (toch) blijken van onderverzekering, [verweerster] niet daarop zou aanspreken. Die omstandigheden staan er dus niet aan de in weg dat [eiser] dit thans alsnog doet. In dit verband is ook van belang dat [eiser] enige tijd na 18 juni 2002 zijn aanvankelijk gegeven instemming met de schadevaststelling van [betrokkene 2] en [betrokkene 3] heeft ingetrokken (randnummer 1.10 hiervoor), hetgeen Nationale Nederlanden – kennelijk – heeft aanvaard. Na 2002 ging het verhaal tussen [eiser] en Nationale Nederlanden dus nog verder. Ook in het licht hiervan heeft het hof [eiser] mijns inziens niet gebonden kunnen achten aan de op artikel 3.2 van de polisvoorwaarden gebaseerde schadevaststelling in 2002 – jegens [verweerster] – op grond van omstandigheden omtrent de schadebegroting in deze periode.
Subonderdeel 1.5faalt derhalve.