Conclusie
1.Het cassatieberoep
2.Het eerste middel
De verdachte verklaart – zakelijk weergegeven – als volgt:
Dat er sprake is van openlijke geweldpleging dat staat wel vast. Ik ben het er niet mee eens dat ik degene ben geweest die het letsel bij [benadeelde 1] heeft veroorzaakt.
De raadsvrouw merkt – zakelijk weergegeven – op:
Het gaat inderdaad over artikel 141, tweede lid, onder 1 van het Wetboek van Strafrecht. Cliënt is het er niet mee eens dat hij degene is geweest die [benadeelde 1] het letsel heeft toegebracht, hetgeen ook consequenties moet hebben voor de vordering van de benadeelde partij.
De oudste raadsheer merkt op dat in artikel 6:166 van Pro het Burgerlijk Wetboek de groepsaansprakelijkheid is geregeld. Ook al zou hij zelf het letsel niet hebben toegebracht dan nog is hij aansprakelijk voor het openlijk geweld. Iedereen die meedoet aan het openlijk geweld is hoofdelijk aansprakelijk voor de schade. Openlijk geweld valt civielrechtelijk onder de groepsaansprakelijkheid.
(…)
De voorzitter geeft aan dat de benadeelde partij in eerste aanleg een vordering ter hoogte van € 18.589,76 bestaande uit € 14.938,76 aan materiële schade en voor het overige uit immateriële schade. De rechtbank heeft de vordering tot een bedrag van 6 9.457,51 toegewezen, bestaande uit € 7.457,51 aan materiële schade en € 2.000,- aan immateriële schade. Handhaaft u de vordering?
Ik ben door de benadeelde, [benadeelde 1] , gemachtigd om namens hem de vordering te bespreken en te handhaven. De vordering wordt gehandhaafd, zoals deze bij het schaderapport van 18 februari 2015 is ingediend. Ik heb voor de zitting geen contact meer met de benadeelde kunnen krijgen. Hij heeft nog wel het formulier ingevuld dat ik gemachtigd ben, maar daarna heb ik hem niet meer gesproken. Ik leid daaruit af dat er geen blijvend letsel is. Het voornaamste bezwaar dat wij tegen de uitspraak van de rechtbank hadden was dat de studievertraging door de rechtbank is gehalveerd. Dit is ten onrechte omdat deze in de vordering reeds gehalveerd was. Dit is waarschijnlijk door de rechtbank over het hoofd gezien. Verder zijn wat kleine posten betreffende het verlies aan zelfredzaamheid, huishoudelijke hulp en het smartengeld die deels zijn afgewezen. Het hof heeft daar in het arrest dat door de Hoge Raad is gecasseerd en beslissing op genomen. Die beslissing is naar mijn mening redelijk en correct. Dat bedrag zou opnieuw kunnen worden toegewezen. Ik heb mij ter voorbereiding van deze zitting nog op één punt voorbereid en dat is de groepsaansprakelijkheid. Ik heb daartoe het boek van Candido geraadpleegd. Daaruit komt duidelijk naar voren dat alle deelnemers aan openlijke geweldpleging civielrechtelijk aansprakelijk zijn. Verder heb ik een memorie van toelichting, nummer 33234-6 behorende bij een wetsvoorstel van het tweede kamerlid Helder geraadpleegd. Het wetsvoorstel is ingediend om bij openlijke geweldpleging een strafrechtelijke groepsaansprakelijkheid te regelen. Het wetsvoorstel heeft het niet gehaald. Ik heb daaruit wel opgemaakt dat de groepsaansprakelijkheid ook geldt bij het plegen van openlijke geweldpleging zonder dat er sprake is van een strafverzwarende omstandigheid. Het grote probleem is dat zijn stage destijds op het laatste moment niet door kon gaan en benadeelde op het laatste moment op zoek moest naar een nieuwe stage. Dat heeft helaas een half jaar geduurd.
(…)
De advocaat-generaal voert het woord – zakelijk weergegeven – als volgt:
(…)
De raadsvrouw voert het woord – zakelijk weergegeven – als volgt:
(…)
De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 18.589,76. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 9.457,51, waarvan € 2.000,- aan immateriële schade. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van haar oorspronkelijke vordering.
3.Het tweede middel
De verdachte verklaart – zakelijk weergegeven – als volgt:
Dat er sprake is van openlijke geweldpleging dat staat wel vast. Ik ben het er niet mee eens dat ik degene ben geweest die het letsel bij [benadeelde 1] heeft veroorzaakt.
De raadsvrouw merkt – zakelijk weergegeven – op:
Het gaat inderdaad over artikel 141, tweede lid, onder 1 van het Wetboek van Strafrecht. Cliënt is het er niet mee eens dat hij degene is geweest die [benadeelde 1] het letsel heeft toegebracht, hetgeen ook consequenties moet hebben voor de vordering van de benadeelde partij.
De oudste raadsheer merkt op dat in artikel 6:166 van Pro het Burgerlijk Wetboek de groepsaansprakelijkheid is geregeld. Ook al zou hij zelf het letsel niet hebben toegebracht dan nog is hij aansprakelijk voor het openlijk geweld. Iedereen die meedoet aan het openlijk geweld is hoofdelijk aansprakelijk voor de schade. Openlijk geweld valt civielrechtelijk onder de groepsaansprakelijkheid.”