Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het tweede cassatiemiddel
3.Beoordeling van het derde cassatiemiddel
4.Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof
5.Beslissing
7 juli 2020.
Hoge Raad
In deze strafzaak tegen de verdachte wegens openlijke geweldpleging heeft de Hoge Raad het beroep in cassatie behandeld tegen het arrest van het gerechtshof Den Haag van 27 februari 2019.
De verdachte stelde cassatiemiddelen in, waarvan één werd ingetrokken en een aanvullend middel werd voorgesteld. De advocaat-generaal concludeerde tot vernietiging van het hofarrest uitsluitend voor zover het de toepassing van vervangende hechtenis bij de schadevergoedingsmaatregel betreft, en tot verwerping van het beroep voor het overige.
De Hoge Raad oordeelde dat de klachten over het hofarrest niet tot vernietiging leiden, behalve ambtshalve voor het onderdeel vervangende hechtenis. De uitspraak van het hof werd vernietigd voor zover vervangende hechtenis werd toegepast, in lijn met een eerdere uitspraak (ECLI:NL:HR:2020:914). Tevens bepaalde de Hoge Raad dat gijzeling van gelijke duur kan worden toegepast conform artikel 6:4:20 Sv Pro.
Het beroep werd voor het overige verworpen. De uitspraak werd gedaan door de vice-president en raadsheren van de Strafkamer van de Hoge Raad op 7 juli 2020.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt ambtshalve het deel van het hofarrest waarin vervangende hechtenis is toegepast en bevestigt de toepassing van gijzeling van gelijke duur.