Conclusie
[verzoeker],
: [verweerders],
[verzoeker]/ […]), een kortgedingprocedure waarin ik ook vandaag concludeer.
1.Feiten
[erflater]), overleden op 28 april 1979, was sinds 29 oktober 1936 tot zijn overlijden in gemeenschap van goederen gehuwd met [erflaatster] (hierna:
[erflaatster]), geboren op 14 februari 1916. [2]
GEA) van 3 mei 2017 is [verzoeker] geschorst als executeur-testamentair. […] (hierna:
[…]) is in zijn plaats benoemd. [verzoeker] is bevolen, op straffe van verbeurte van een dwangsom, om rekening en verantwoording af te leggen aan [verweerders] en aan de […] . [verzoeker] heeft geappelleerd tegen dit vonnis en schorsing van de executie gevraagd. Dat verzoek is afgewezen. Daarna is het appel ingetrokken.
hof) gelijktijdig met het in de onderhavige zaak bestreden vonnis in de bodemzaak uitspraak gedaan. Dat is de zaak met het nr. 19/03817.
2.Procesverloop
een nalatenschapbehorende goederen temporeel van toepassing is (rov. 2.4-2.9). Vervolgens heeft het hof op vijf alternatieve gronden aangevoerd ter verwerping van het beroep van [verzoeker] op verbeurte op grond van die bepaling. Het hof heeft overwogen (i) dat deze ingrijpende civielrechtelijk sanctie volgens het geldend Arubaans recht alleen voor nalatenschappen geldt en het gelet op de aard van de sanctie te ver gaat om deze zonder wettelijke basis toe te passen op de ontbonden huwelijksgemeenschap (rov. 2.10-2.15); (ii) dat de rechtsvordering van [verzoeker] is verjaard (rov. 2.16-2.19); (iii) dat [verzoeker] wist van de buitenlandse beleggingen van zijn vader en afstand heeft gedaan van aanspraken daarop als legitimaris, inclusief uitoefening van het wilsrecht zoals bedoeld in art. 4:1090 BW Pro-AUA (rov. 2.20); (iv) dat aan de toepassingsvereisten van art. 4:1090 BW Pro-AUA niet is voldaan omdat [erflaatster] zich jegens [verzoeker] niet schuldig heeft gemaakt aan verzwijgen, zoek maken of verborgen houden van boedelbestanddelen, nu [verzoeker] zelf wist van het bestaan van die goederen (rov. 2.21-2.25); (v) dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is dat [verzoeker] met een beroep op art. 4:1090 BW Pro-AUA zou kunnen bewerkstelligen dat hij alles heeft verkregen, althans de helft met een achtste deel. Als er al ruimte zou zijn voor een verbeurte, moet deze ten goede komen van de gezamenlijke erfgenamen, zodat het zinloos is de verbeurte in te roepen (rov. 2.26-2.27). Tot slot heeft het hof geoordeeld dat er voldoende gewichtige redenen waren om [verzoeker] als executeur-testamentair te ontslaan (rov. 2.29), maar er onvoldoende noodzaak is om in de onderhavige zaak dwangsommen op te leggen daar dit al in kort geding is gebeurd. (rov. 2.30).
3.Algemene opmerkingen
zonder dat zij enig deel in het te zoek gemaakte of verborgene mogen vorderen.”
nietnaar analogie kan worden toegepast op de in 1984 tussen [erflaatster] en [verzoeker] overeengekomen boedelscheiding, heeft [verzoeker] geen belang bij behandeling van de onderdelen 2 t/m 6 van het middel. Die onderdelen richten namelijk klachten tegen oordelen waarbij het hof er
veronderstellenderwijsvan is uitgegaan dat art. 4:1090 BW Pro-AUA wél naar analogie van toepassing is op een ontbonden huwelijksgemeenschap. Indien die veronderstelling niet opgaat, zijn de overige klachten onder 2 t/m 6 gericht tegen overwegingen ten overvloede.
4.Bespreking van het cassatiemiddel
2. De regelen die zijn vastgesteld in de zestiende titel van het tweede boek, handelende van boedelscheiding, zijn op de verdeling van toepassing.’
slechts voor nalatenschappengeldt wordt bevestigd in de parlementaire geschiedenis van de
Nederlandse Overgangswet nieuw Burgerlijk Wetboeken de Arubaanse
Landsverordening overgangsbepalingen Nieuw BW.
Parlementaire Geschiedenis van het Nieuwe Burgerlijk wetboek Invoering boeken 3, 5 en 6. Overgangsrecht, ed. W.H.M. Reehuis en E.E. Slob, 1991, p. 111:
Hof) bevat een soortgelijke sanctie als artikel 1110: verlies Pro van een aandeel in de goederen van een gemeenschap. Artikel 1110 geldt Pro evenwel slechts voor nalatenschappen. Voor andere gemeenschappen bestaat deze sanctie onder het oude recht niet. Voor die gemeenschappen werkt de bepaling niet terug: is de ‘verduistering’ vóór het tijdstip van de inwerkingtreding geschied, dan is het aandeel niet verbeurd. Dit is een aanvaardbare oplossing voor al die feiten uit het verleden, bij gemeenschappen die vóór de inwerkingtreding zijn gescheiden en verdeeld. Maar ook voor de bij de inwerkingtreding reeds bestaande gemeenschappen als bedoeld in artikel 3.7.2.0 lid 2 (i.e. artikel 3:189 lid Pro 2;
Hof) zou toepassing van de bepaling tot problemen aanleiding kunnen geven, omdat dan het veelal moeilijk te bewijzen precieze tijdstip van ‘verduistering’ van doorslaggevend belang wordt. Vandaar dat artikel 32 het Pro oude recht eerbiedigt, hetgeen enerzijds meebrengt dat artikel 1110 op Pro reeds opengevallen nalatenschappen van toepassing blijft, anderzijds dat de sanctie van artikel 3.7.2.3 lid 3 niet geldt voor de andere, ten tijde van de inwerkingtreding reeds bestaande gemeenschappen van artikel 3.7.2.0 lid 2.’
Landsverordening overgangsbepalingen Nieuw BW:
Artikel 56. Artikel 3.194, tweede lid, bevat een soortgelijke sanctie op het zoekmaken van goederen van een gemeenschap als artikel 1090, doch deze bepaling geldt onder het oude recht slechts voor de nalatenschap. Onmiddellijke werking van artikel 3.194 zou voor de hand liggen, doch zóu het praktische bezwaar doen rijzen om te bepalen of het zoekmaken enz. nog vóór of pas na de inwerkingtreding is gebeurd. Daarom verdient het in deze de voorkeur het oude recht maar voor de reeds bestaande gemeenschappen té eerbiedigen: voor de nalatenschappen artikel 1090, voor de andere schadevergoeding uit onrechtmatige daad. Artikel 56 correspondeert Pro met artikel 103 der Pro Nederlandse Overgangswet nieuw BW.’”
Er is aan mij geen jurisprudentie bekend over analogische toepassing van art. 1110 BW Pro (oud) op de ontbonden huwelijksgemeenschap.” [27]
Artikel 1110 geldt Pro evenwel slechts voor nalatenschappen”. In dezelfde zin vermeldt de Arubaanse memorie van toelichting, aangehaald in rov. 2.15, dat “
deze bepaling onder het oude recht slechts [geldt] voor de nalatenschap.”
slechtsvan toepassing is op bijzondere gemeenschappen die niet bestonden op het moment van inwerkingtreding van de wet (zie hiervoor, 3.7). Dat alleen al beperkt sterk de mogelijkheid van een toepassing
per analogiam. [28]
nulla poena-beginsel. [31]
ex nunc(op moment inroepen). Het verschil met de ‘van rechtswege-benadering’ is dat daar het gevolg reeds intreedt met effect
ex tunc(op moment verzwijgen).
omdat[verzoeker] geen eenzijdige verklaring heeft gericht tot de bedriegende mededeelgenoot. Het hof heeft zelfs in rov. 2.19 overwogen dat [verzoeker] in 2013 art. 4:1090 BW Pro-AUA rechtsgeldig heeft ingeroepen. Om die reden is niet van belang of de notariële verklaring van 3 mei 2007 van [erflaatster] meebracht dat voor het intreden van de verbeurte geen eenzijdige tot de bedriegende mededeelgenoot te richten verklaring hoefde te worden gericht.
onder 3.2 en 3.3subsidiair zijn aangevoerd, behoeven zij geen bespreking.
wilvan de afstand doende persoon
erop gericht waszijn recht prijs te geven. [44] Dit heeft het hof echter niet miskend. Evenmin is het oordeel van het hof onvoldoende begrijpelijk gemotiveerd. Het heeft immers in zijn door dit onderdeel bestreden overweging geoordeeld dat [verzoeker] wist van de buitenlandse beleggingen en dat in de akte van scheiding en deling is vastgesteld dat goederen waarvan het bestaan later zou blijken werden toegedeeld aan [erflaatster] (als erfgenaam), en dat [verzoeker] hiermee afstand heeft gedaan van zijn aanspraken daarop.
Termen ’te zoek gemaakt of verborgen gehouden '/'verzwijgt, zoek maakt of verborgen houdt '
gelijkelijkerfgenaam van [erflaatster] , met de mogelijkheid van plaatsvervulling in geval van vooroverlijden.