Conclusie
Nummer 18/05000
Bewezenverklaring en bewijsoverweging
Betrouwbaarheid
Beoordeling van de cassatiemiddelen
eerstemiddel klaagt dat het hof het betrouwbaarheidsverweer ten aanzien van de verklaringen die door [betrokkene 1] zijn afgelegd heeft verworpen op gronden die de beslissing niet kunnen dragen en bovendien ‘volstrekt onbegrijpelijk zijn’. De steller van het middel meent dat slechts de verklaringen van de verdachte zelf worden beoordeeld door het hof. De verklaringen van de verdachte zouden volgens het hof concreet en gedetailleerd zijn, steun vinden in het dossier en derhalve bruikbaar voor het bewijs zijn. Daarmee zou het hof niets hebben gezegd over de betrouwbaarheid van de verklaringen van [betrokkene 1] .
tweedemiddel klaagt dat ’s hofs oordeel dat de verdachte het voor het medeplegen van feit 1 vereiste opzet had op het buiten Nederland brengen van hennep blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting en/of onbegrijpelijk is omdat de bewijsmiddelen niets inhouden waaruit zou kunnen worden afgeleid dat de verdachte zich bewust was van het feit dat de hennep naar het buitenland werd vervoerd.
bewustesamenwerking (ten aanzien van die uitvoer)’ zou blijk geven van een onjuiste rechtsopvatting en/of onbegrijpelijk zijn.
bewustesamenwerking (ten aanzien van die uitvoer)’ blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting dan wel onbegrijpelijk is. Ik wijs er nog op dat de verdachte ter terechtzitting in eerste aanleg en in hoger beroep, waar hij is ondervraagd over de inhoud van de telefoontaps (waaronder het gesprek over de man die naar Duitsland zal gaan [4] ), niet heeft verklaard dat de hennep een binnenlandse bestemming had (of een andere buitenlandse bestemming dan Duitsland). Aldus heeft de verdachte ten aanzien van die bestemming geen alternatief scenario geschetst dat afbreuk zou kunnen doen aan de begrijpelijkheid van het oordeel van het hof.
derdemiddel klaagt dat het hof voor het bewijs gebruik heeft gemaakt van een aantal bewijsmiddelen (inhoudende processen-verbaal van buitenlandse opsporingsambtenaren) die niet in de Nederlandse taal zijn gesteld en evenmin naar het Nederlands zijn vertaald. De steller van het middel voert aan dat de verdachte deze bewijsmiddelen niet kan lezen, althans dat hij niet begrijpt wat er staat. In de schriftuur wordt verwezen naar een arrest van de civiele kamer van Uw Raad waarin onder meer is overwogen dat het overleggen van een vertaling van een productie in beginsel niet noodzakelijk is als die productie is gesteld in de Engelse, Duitse of Franse taal (HR 15 januari 2016, ECLI:NL:HR:2016:65,
NJ2017/382 m.nt. Snijders). Aangevoerd wordt dat het openbaar ministerie verschilt van een gewone procespartij in een civiele procedure. Het is de verantwoordelijkheid van het openbaar ministerie dat de verdachte in een taal die hij begrijpt kennis kan nemen van de bewijzen die er tegen hem zijn verzameld. Het hof zou in strijd met het bepaalde in art. 338 jo Pro. 344 Sv en/of art. 6 EVRM Pro, (art. 7 van Pro) Richtlijn 2012/13/EU [5] en (art. 3 van Pro) Richtlijn 2010/64/EU [6] hebben gehandeld door bewijsmiddelen te bezigen die niet in de Nederlandse taal zijn gesteld en waarvan geen vertaling is bijgevoegd.
(BFK: Bett)lagen, beiseite geschoben und wieder zurück geschoben.’
vierdemiddel klaagt over schending van het vereiste van berechting binnen een redelijke termijn in de cassatiefase.