Conclusie
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
CONCLUSIE
middelklaagt over de oplegging van de ISD-maatregel. Omdat de aan de verdachte opgelegde straffen nog niet allemaal volledig waren geëxecuteerd, zou niet zijn voldaan aan de vereisten voor het opleggen van die maatregel. De steller van het middel voert aan dat de achterliggende gedachte is dat de ISD-maatregel een ultimum remedium is, dat wordt ingezet als alle andere opties zijn uitgeput. Strafrechtelijke interventies zoals onvoorwaardelijke straffen, diverse vormen van begeleiding en voorwaardelijke straffen zijn dan niet succesvol gebleken om gedragsverandering te bewerkstelligen. Voor relatief geringe vergrijpen kan dan een relatief lange maatregel worden opgelegd. De eerder opgelegde straffen dienen volgens de steller van het middel dan wel volledig ten uitvoer te zijn gelegd. Dat geldt volgens de steller van het middel, zo begrijp ik, in geval van een deels onvoorwaardelijke gevangenisstraf ook voor het voorwaardelijke deel daarvan.
(BFK: 1)onder 2 van het Wetboek van Strafrecht.
NJ2007/221 m.nt. Mevis. Uw Raad overwoog in dat arrest onder meer:
geheelten uitvoer zijn gelegd. [3]
Waarom het gaat is dat genoegzaam vaststaat dat eerdere interventies in een strafrechtelijk kader geen dan wel onvoldoende effect hebben gesorteerd.’ [6]
NJ2007/221 m.nt. Mevis koos: zij houdt vast aan de gedachte dat de in aanmerking genomen straffen of maatregelen geheel ten uitvoer dienen te zijn gelegd.