ECLI:NL:PHR:2020:832

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
23 juni 2020
Publicatiedatum
22 september 2020
Zaaknummer
19/01612
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Afwijzend
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 141 SrArt. 6 EVRMArt. 366 SvArt. 588 SvArt. 336 lid 4 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad verwerpt cassatie tegen veroordeling wegens openlijke geweldpleging ondanks termijn- en vertaalgeschil

De verdachte werd door het gerechtshof Amsterdam bij verstek veroordeeld tot een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf van twee weken en een geldboete van €500 wegens openlijke geweldpleging. Het cassatieberoep richtte zich op twee middelen: de vermeende schending van de redelijke termijn bij de betekening van de verstekmededeling en het ontbreken van een Poolse vertaling van deze mededeling.

Ten aanzien van de termijn stelde de verdachte dat het openbaar ministerie (OM) onvoldoende voortvarend was geweest bij het betekenen van de verstekmededeling, terwijl zij een vast adres in Polen had. De Hoge Raad oordeelde dat de verdachte onvoldoende had meegewerkt door een onvolledig adres op te geven en dat het OM wel degelijk inspanningen had verricht om het juiste adres te achterhalen. Hierdoor kon geen sprake zijn van een schending van de redelijke termijn.

Het tweede middel betrof het ontbreken van een Poolse vertaling van de verstekmededeling, terwijl de verdachte de Nederlandse taal niet voldoende machtig zou zijn. De Hoge Raad stelde vast dat de verdachte de inhoud van het arrest begrepen had, mede doordat een bekende namens haar contact zocht met het hof in het Engels. Hierdoor was het recht op een eerlijk proces niet geschonden.

De Hoge Raad verwierp beide middelen en bevestigde daarmee het arrest van het gerechtshof. De opgelegde straf was gering, wat ook meespeelde in de afweging over de redelijke termijn. Er werden geen gronden gevonden om de bestreden uitspraak te vernietigen.

Uitkomst: Het cassatieberoep van de verdachte is verworpen en het arrest van het gerechtshof Amsterdam gehandhaafd.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer19/01612
Zitting23 juni 2020

CONCLUSIE

D.J.C. Aben
In de zaak
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1973,
hierna: de verdachte.
1. Het gerechtshof Amsterdam heeft de verdachte bij arrest van 21 maart 2005 ter zake van “
openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen en goederen”, veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twee weken, geheel voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren, en tot een geldboete van € 500,-, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van tien dagen.
2. Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte en mr. J. Boksem, advocaat te Leeuwarden, heeft twee middelen van cassatie voorgesteld.
3. Het
eerste middelklaagt dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 EVRM Pro is geschonden en dat (bovendien) het openbaar ministerie (OM) bij de betekening van de verstekmededeling ex artikel 366 Sv Pro niet de nodige voortvarendheid heeft betracht.
4. Ter beoordeling van het middel zijn de volgende uit de stukken voortvloeiende feiten en omstandigheden relevant:
(i) in het proces‑verbaal van verhoor d.d. 25 januari 2003 heeft de verdachte als adres opgegeven “
[a-straat 1]” in Polen. De woonplaats is kennelijk onbekend gebleven, nu daar “
Zvw” is ingevuld;
(ii) ter terechtzittingen in eerste aanleg van 9 juli 2003 en 6 februari 2004 is namens de verdachte een gemachtigde raadsman verschenen;
(iii) het vonnis d.d. 6 februari 2004 is door de politierechter in de rechtbank Amsterdam op tegenspraak gewezen;
(iv) namens de verdachte is op 6 februari 2004 hoger beroep ingesteld tegen het eindvonnis van diezelfde datum. De akte vermeldt dat van de verdachte geen vaste woon- of verblijfplaats hier te lande bekend is. Onder “
post/verblijf/huidig adres” staat niets ingevuld;
(v) de oproeping om te verschijnen ter terechtzitting in hoger beroep op 7 maart 2005 is op 21 december 2004 op de voet van artikel 588 lid 1 aanhef Pro en onder b onder 3° (oud) Sv rechtsgeldig aan de griffier betekend, op de grond dat van de verdachte geen woon- of verblijfplaats in Nederland bekend was. Op diezelfde datum zijn ex artikel 88 (oud) Wet GBA inlichtingen uit het bevolkingsregister opgevraagd;
(vi) de verdachte verschijnt niet op de zitting van het hof van 7 maart 2005, de aldaar verschenen raadsman is niet gemachtigd. Uit het proces‑verbaal blijkt dat achtereenvolgens bij het oproepen, twee dagen vóór en op de dag van die terechtzitting via geautomatiseerde informatiesystemen (VIPS) is gecontroleerd of de verdachte in een Nederlandse penitentiaire inrichting verbleef, hetgeen niet het geval bleek te zijn;
(vii) de verdachte is door het hof bij arrest van 21 maart 2005 bij verstek veroordeeld;
(viii) op 4 september 2006, 11 november 2007, 25 maart 2008 en 20 november 2008 heeft het OM in de Verwijs Index Personen (VIP) een controle gedaan waaruit telkens bleek dat de verdachte niet gedetineerd was en geen GBA-adres van haar bekend was. Verder zijn bij de stukken prints te vinden van het overzicht met bekende persoonsgegevens van de verdachte, van 24 januari 2007, 11 oktober 2007, 6 juni 2008, 11 maart 2009, 4 juni 2009, 25 maart 2010, 11 maart 2011, 18 december 2011 en 6 juni 2012, waarin in elk daarvan de adresgegevens ontbreken;
(ix) de verdachte heeft op 14 januari 2019 beroep in cassatie ingesteld. Als haar adres staat daarin opgegeven “
[b-straat 1] [plaats] Polen”. Aan de daarvan opgemaakte akte is een akte gehecht waaruit blijkt dat de verdachte bij aankomst op Schiphol op 1 januari 2019 op de hoogte is gebracht van het arrest van het hof.
5. Vooropgesteld kan worden dat van overschrijding van de redelijke termijn sprake kan zijn indien op grond van artikel 366 Sv Pro een verstekmededeling dient te worden betekend en het OM bij die betekening niet de nodige voortvarendheid heeft betracht. In HR 13 juli 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM3638,
NJ2010/458, overwoog de Hoge Raad in dat verband:

Van de hier bedoelde vertraging is in elk geval geen sprake:
a. Indien de verstekmededeling binnen een jaar na de uitspraak rechtsgeldig is betekend
1. hetzij aan de verdachte in persoon,
2. hetzij op de voet van het bepaalde in art. 588, tweede of derde lid, Sv. In de onder 2 bedoelde gevallen komt een na de betekening opgetreden vertraging immers voor rekening van de verdachte omdat er redelijkerwijs van kan worden uitgegaan dat hij door die betekening op de hoogte is geraakt van de uitspraak.
b. Indien de verstekmededeling binnen een jaar na de uitspraak rechtsgeldig is betekend door de in art. 588, eerste lid onder b sub 3°, Sv voorziene uitreiking aan de griffier om reden dat de verdachte niet als ingezetene is ingeschreven in de basisadministratie persoonsgegevens noch een feitelijke woon- of verblijfplaats van hem bekend is, én indien tevens blijkt dat het openbaar ministerie vervolgens - naast de plaatsing van de verdachte in het opsporingsregister - tenminste eenmaal per jaar heeft getracht de verstekmededeling alsnog te betekenen hetzij aan de verdachte in persoon hetzij overeenkomstig het bepaalde in art. 588, tweede of derde lid, Sv (vgl. HR 17 juli 2008, BD2578, NJ 2008, 358, rov. 3.19).
3.3.2. Voorts dient in aanmerking te worden genomen dat een verdachte, die, kennis dragende van een tegen hem ingestelde vervolging, nalaat op de voorgeschreven wijze opgave te doen van zijn verhuizingen en/of geen in het maatschappelijk verkeer gebruikelijke voorzieningen treft om te bereiken dat hij kennis krijgt van voor hem bestemde stukken die zijn achtergelaten dan wel verzonden aan het adres alwaar hij vroeger woonachtig was of stond ingeschreven en/of nalaat zich op de hoogte te stellen van de inhoud van zodanige door hem ontvangen berichten dan wel daarop niet reageert, tengevolge waarvan de inspanningen van het openbaar ministerie om de uitspraak te zijner kennis te brengen, zonder resultaat blijven, zich niet met vrucht kan beroepen op schending van de hiervoor genoemde verdragsbepaling (vgl. HR 30 januari 2001, LJN ZD2099).
6. Uit de onder 4 genoemde stukken kan worden opgemaakt dat de verdachte bij arrest van 21 maart 2005 bij verstek is veroordeeld. Van betekening van de verstekmededeling van dat arrest blijkt niet, totdat de verdachte die na aankomst op Schiphol op 1 januari 2019 van de Koninklijke Marechaussee krijgt aangereikt. Daaruit kan worden opgemaakt dat de verdachte kennelijk gesignaleerd stond.
7. De steller van het middel brengt in de toelichting daarop naar voren dat de verdachte geen enkele aanwijzing heeft ontvangen dat het OM in de afgelopen veertien jaren getracht heeft de mededeling ten minste eenmaal per jaar aan haar te betekenen, terwijl zij al die tijd een vast adres had in Polen.
8. Zoals uit de vooropstellingen blijkt mag van degene die ervan kennis draagt dat een vervolging tegen hem of haar is ingesteld redelijkerwijs worden verwacht dat hij of zij de in het maatschappelijk verkeer gebruikelijke maatregelen neemt om te voorkomen dat een gerechtelijk schrijven hem of haar niet bereikt of de inhoud daarvan hem of haar niet bekend wordt. Blijkens de stukken van het geding heeft de verdachte haar adres – dat kennelijk lange tijd onveranderd is gebleven – reeds bij de politie opgegeven. Dat adres was echter onvolledig, nu als woonplaats “
zvw” stond aangegeven, hetgeen – naar ik mag aannemen – staat voor ‘zonder vaste woonplaats’. Niet blijkt dat door of namens de verdachte op een later moment aanvulling van dat adres heeft plaatsgevonden met een woonplaats en/of een postcode, terwijl dat op basis van de gebruikelijke opbouw van adressen in Polen essentiële elementen lijken zijn om tot succesvolle verzending van poststukken naar een in dat land gesitueerd adres te komen. [1]
9. Tegenover dat stilzitten van de verdachte heeft het OM de nodige inspanningen gedaan om een adres van de verdachte te achterhalen, teneinde (kennelijk) de verstekmededeling te betekenen. [2] Gedurende in ieder geval zeven jaren heeft het OM minimaal eenmaal per jaar getracht te achterhalen of de gegevens van de verdachte inmiddels in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens (GBA) [3] waren opgenomen. [4] Uit de opgevraagde gegevens blijkt inschrijving van de verdachte op een adres in Nederland nimmer het geval te zijn geweest.
10. In verband met de opgave van de adresgegevens van de verdachte bij de politie, heb ik mij nog afgevraagd of van het OM verwacht had mogen worden dat contact zou worden opgenomen met een bevoegde autoriteit of instantie in het buitenland. [5] Dat lijkt mij te ver gaan. Op basis van een zoekslag in Google Maps blijkt immers dat er meerdere straten zijn die ‘[a-straat]’ genoemd zijn, in een veelvoud aan dorpen en steden. Tegelijkertijd heeft de verdachte verzuimd om zich ervan te verzekeren dat zij van het verloop van de procedure op de hoogte kon worden gesteld.
11. Gelet op het vorenstaande kan niet worden volgehouden dat de vertraging die is opgetreden vanaf de datum waarop het arrest is gewezen tot de datum waarop de verdachte beroep in cassatie heeft ingesteld valt toe te rekenen aan het OM. In dat tijdvak is van een overschrijding van de redelijke termijn dus geen sprake geweest.
12. Ingeval de Hoge Raad hierover anders oordeelt, kan worden volstaan met de constatering van de alsdan vastgestelde schending van artikel 6 EVRM Pro, nu de opgelegde straf een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf en een geldboete van minder dan € 1000,- betreft. [6]
13. Het middel faalt.
14. Het
tweede middelklaagt dat aan de verdachte ten onrechte geen Poolse vertaling van de verstekmededeling is uitgereikt.
15. Aan het middel is ten grondslag gelegd dat artikel 336 lid 4 Sv Pro, dat ter implementatie van Richtlijn 2010/64/EU van het Europees Parlement en de Raad van 20 oktober 2010 betreffende het recht op vertolking en vertaling in strafprocedures (PbEU L 280) is ingevoerd, [7] voorschrijft dat indien de verdachte de Nederlandse taal niet of onvoldoende beheerst, aan hem (of haar) tevens een schriftelijke vertaling van de mededeling in een voor hem (of haar) begrijpelijke taal wordt verstrekt. De mededeling betekening, een essentieel processtuk in de zin van die Richtlijn, had gelet op de het recht op een eerlijk proces als bedoeld in artikel 6 EVRM Pro, in het Pools moeten worden aangereikt, aldus de steller van het middel.
16. Artikel 3 van Pro Richtlijn 2010/64/EU schrijft voor dat een verdachte of beklaagde die de taal van de strafprocedure niet verstaat, binnen een redelijke termijn een schriftelijke vertaling ontvangt van alle processtukken die essentieel zijn om te garanderen dat hij zijn recht van verdediging kan uitoefenen en om het eerlijke verloop van de procedure te waarborgen.
17. Op basis van de nationaliteit van de verdachte en gelet op de omstandigheid dat op 9 juli 2003 door de rechtbank de oproeping van een tolk in de Poolse taal is bevolen voor de volgende terechtzitting, rijst het vermoeden dat de verdachte de Nederlandse taal niet voldoende machtig is. Op basis van de stukken van het geding kan niet worden vastgesteld in welke taal de verdachte is geïnformeerd over de tegen haar lopende strafprocedure toen zij op 1 januari 2019 op Schiphol aankwam. Uit het proces-verbaal dat is opgemaakt van de uitreiking van de mededeling uitspraak is opgemaakt, kan worden afgeleid dat de verdachte ervan op de hoogte is gesteld dat bij de griffie van het gerechtshof in Amsterdam om nadere inlichtingen kon worden verzocht. Kennelijk heeft de verdachte in ieder geval die mededeling begrepen. Bij de stukken van het geding bevindt zich immers ook een e‑mail van een bekende van de verdachte die namens haar, omdat zij de Engelse taal niet voldoende machtig is, bij het hof (onder meer) informeert naar de mogelijke gevolgen van het betalen van de geldboete, in verband met de door de verdachte te nemen beslissing tot het al dan niet instellen van cassatie tegen de beslissing van het hof.
18. Daaruit blijkt dat de verdachte naar aanleiding van de ontvangen informatie op Schiphol de strekking van het arrest van het hof in ieder geval heeft begrepen op een zodanige wijze dat kon worden bewerkstelligd dat zij haar recht van verdediging kon uitvoeren, zoals voorgeschreven door de Richtlijn die ten grondslag ligt aan artikel 366 lid 4 Sv Pro. [8]
19. Het middel kan niet tot cassatie leiden.
20. Beide middelen falen en kunnen met de aan artikel 81 lid 1 RO Pro ontleende motivering worden afgedaan.
21. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
22. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

Voetnoten

1.Zie de gebruikelijke opbouw van Poolse adressen in het overzicht van bijzondere kenmerken van adressen in de lidstaten van de Europese Unie op de site van het Publicatiebureau van die Unie, via
2.Hoewel dat niet met zo veel woorden uit de stukken blijkt, en ook navraag bij het hof daarover geen uitsluitsel heeft kunnen geven, kan er op basis van de data van de gemaakte zoekslagen m.i. gevoeglijk van worden uitgegaan dat deze zijn uitgevoerd ten behoeve van de betekening van de verstekmededeling aan de verdachte.
3.Thans: basisregistratie personen (BRP), zie Wet van 3 juli 2013 houdende nieuwe regels voor een basisregistratie personen (Wet basisregistratie personen),
4.Vgl. HR 13 juli 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM3638, rov. 3.4.
5.Vgl. de gang van zaken in geval van betekening van de dagvaarding als geadresseerde in het buitenland een bekende woon- of verblijfplaats had, zoals beschreven in G.J.M. Corstens,
6.HR 17 juli 2008, ECLI:NL:HR:BD2578,
7.Bij Wet van 28 februari 2013,
8.Vgl. HR 30 oktober 2018, ECLI:NL:HR:2018:2008, en de daaraan voorafgegane conclusie van mijn ambtgenoot Bleichrodt.