ECLI:NL:HR:2010:BM3638
Hoge Raad
- Cassatie
- A.J.A. van Dorst
- H.A.G. Splinter-van Kan
- C.H.W.M. Sterk
- Rechtspraak.nl
Beoordeling overschrijding redelijke termijn en betekening verstekmededeling in strafzaak
In deze strafzaak heeft de verdachte beroep in cassatie ingesteld tegen een bij verstek gewezen arrest van het Gerechtshof Arnhem. De kern van het geschil betrof de vraag of sprake was van overschrijding van de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6 EVRM Pro, in verband met de betekening van de verstekmededeling na het arrest van 7 maart 2003.
De Hoge Raad onderzocht de feiten rondom de betekening van de verstekmededeling, waarbij het Openbaar Ministerie (OM) meerdere malen heeft geprobeerd de verdachte te bereiken, die sinds december 2002 geen vaste woon- of verblijfplaats meer had en niet was ingeschreven in de Basisadministratie Personen (GBA). De verstekmededeling werd binnen een jaar na de uitspraak op de wettelijk voorgeschreven wijze betekend, en het OM controleerde jaarlijks de verblijfplaats van de verdachte.
De Hoge Raad herhaalt relevante jurisprudentie over de verplichtingen van het OM en de verdachte omtrent kennisname van processtukken. Gelet op de inspanningen van het OM en het ontbreken van medewerking van de verdachte, kon de vertraging niet aan het OM worden toegerekend. Wel werd erkend dat de redelijke termijn na het instellen van cassatie was overschreden, wat leidde tot een vermindering van de opgelegde gevangenisstraf van twaalf maanden naar elf maanden en twee weken.
De Hoge Raad vernietigde het arrest uitsluitend voor wat betreft de strafduur en wees het cassatieberoep voor het overige af. Hiermee werd een evenwichtige afweging gemaakt tussen de belangen van de verdachte en de procesvoortgang.
Uitkomst: De straf werd verminderd tot elf maanden en twee weken gevangenisstraf wegens overschrijding van de redelijke termijn na cassatie.