Conclusie
1.Feiten
arrestrespectievelijk het
hof). [1]
[A]), een groothandel in sportartikelen, opgericht. Bij vonnis van 14 december 2010 is [A] in staat van faillissement verklaard, met benoeming van mr. Uitdehaag tot curator als zodanig (hierna: de
curator).
[B]). [eiseres 1] B.V. (hierna:
[eiseres 1]) hield ten tijde van het faillissement 60% van de aandelen in [B]. [eiser 2] (hierna:
[eiser 2]) was aandeelhouder/bestuurder van [eiseres 1]. [eiseres 1] en [eiser 2] worden hierna gezamenlijk ook
[eisers]genoemd. [C] B.V. (hierna:
[C]) hield ten tijde van het faillissement 20% van de aandelen in [B]. [betrokkene 1] (hierna:
[betrokkene 1]) was aandeelhouder/bestuurder van [C]. [betrokkene 2] hield 20% van de aandelen in [B].
2.Procesverloop
In eerste instantie
eindvonnis) heeft de rechtbank Oost-Brabant [eiseres 1], [C] en [eiser 2] hoofdelijk veroordeeld om aan de curator een bedrag ter hoogte van het tekort in het faillissement te voldoen, nader op te maken bij staat. Zij zijn tevens veroordeeld in de proceskosten. De rechtbank heeft daartoe in het geschil tussen de curator enerzijds en [eisers] anderzijds, zakelijk weergegeven, het volgende overwogen. Het bestuur van [A] heeft niet voldaan aan de boekhoudplicht ex art. 2:10 BW Pro en aan de deponeringplicht ex art. 2:394 BW Pro. Ingevolge art. 2:248 lid 2 BW Pro is sprake van onbehoorlijke taakvervulling en wordt vermoed dat de onbehoorlijke taakvervulling een belangrijke oorzaak is van het faillissement. [eisers] is er niet in geslaagd aannemelijk te maken dat andere feiten of omstandigheden een belangrijke oorzaak van het faillissement van [A] zijn geweest. Op grond van art. 2:248 lid 1 BW Pro is [eisers] dan ook aansprakelijk voor het tekort in het faillissement van [A]. [3]
mvg) heeft [eisers] zes grieven aangevoerd (genummerd I t/m VI) en geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden vonnissen, de curator opnieuw rechtdoende niet-ontvankelijk te verklaren in de door hem in prima ingestelde vorderingen, althans die vorderingen in alle onderdelen af te wijzen en de curator te veroordelen in de proceskosten in eerste aanleg en hoger beroep. Bij memorie van antwoord met producties (hierna: de
mva) heeft de curator de grieven in hoger beroep bestreden en geconcludeerd tot niet-ontvankelijkverklaring van [eisers], althans haar grieven af te wijzen als zijnde ongegrond en/of onbewezen met veroordeling van [eisers] in de kosten van de procedure in beide instanties, de nakosten daaronder begrepen. Na deze memoriewisseling heeft [eisers] een akte met producties genomen, gevolgd door een antwoordakte van de curator. Vervolgens hebben partijen de stukken voor het wijzen van arrest aan het hof overgelegd en heeft het hof arrest bepaald.
Andere oorzaak dan onbehoorlijke taakvervulling voor het faillissement aannemelijk gemaakt?”. In cassatie richt [eisers] (dus) géén pijlen op: de door het hof geformuleerde uitgangspunten inzake art. 2:248 BW Pro (rov. 5.4); zijn overwegingen inzake de niet-naleving van de deponeringsplicht ex art. 2:394 BW Pro (rov. 5.5-5.8); zijn overwegingen inzake de niet-naleving van de boekhoudplicht ex art. 2:10 BW Pro (rov. 5.9-5.13); zijn vooropstellingen bij de (ontkennende) beantwoording van de genoemde vraag in rov. 5.14-5.15 of het in rov. 5.16-5.18 overwogene als zodanig; zijn overwegingen inzake het (afgewezen) beroep op matiging van [eisers] (rov. 5.20-5.21); zijn slotsom dat alle grieven falen (rov. 5.22); en het dictum (onder 6). In rov. 5.14-5.19 overweegt het hof als volgt:
Andere oorzaak dan onbehoorlijke taakvervulling voor het faillissement aannemelijk gemaakt?
van buiten komende, niet aan hem toe te rekenen belangrijke oorzaak van het faillissement aannemelijk maakt. Wel verlangt artikel 2:248, lid 2 BW dat de bestuurder door het aanvoeren van bepaalde feiten en omstandigheden aantoont dat er zich een andere belangrijke oorzaak van het faillissement dan onbehoorlijk bestuur heeft voorgedaan. Die oorzaak kan ook gelegen zijn in fouten of misrekeningen van de bestuurders, zolang maar niet geoordeeld kan worden dat geen redelijk denkend bestuurder - onder dezelfde omstandigheden - aldus gehandeld zou hebben. Vgl. HR 12 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:233.
3.Bespreking van het cassatiemiddel
het verwijt wordt gemaaktdat hij heeft nagelaten het intreden van deze oorzaak te voorkomen (
subonderdeel Ia);
subonderdeel Ib);
subonderdeel Ic).
Andere oorzaak dan onbehoorlijke taakvervulling voor het faillissement aannemelijk gemaakt?”. Het vertrekpunt voor dat oordeel vormt dus, naast een verwijzing in rov. 5.14 naar het deel van de mvg waarin [eisers] daarop is ingegaan (in de toelichting op grieven I t/m III en met grief IV), een zakelijke weergave in rov. 5.15 van het relevante juridische kader. Omwille van de duidelijkheid licht ik die laatste vooropstelling van het hof nog eens uit:
van buiten komende, niet aan hem toe te rekenen belangrijke oorzaak van het faillissement aannemelijk maakt. Wel verlangt artikel 2:248, lid 2 BW dat de bestuurder door het aanvoeren van bepaalde feiten en omstandigheden aantoont dat er zich een andere belangrijke oorzaak van het faillissement dan onbehoorlijk bestuur heeft voorgedaan. Die oorzaak kan ook gelegen zijn in fouten of misrekeningen van de bestuurders, zolang maar niet geoordeeld kan worden dat geen redelijk denkend bestuurder - onder dezelfde omstandigheden - aldus gehandeld zou hebben. Vgl. HR 12 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:233.” [cursivering in origineel, A-G]
en de bestuurder door de curator wordt verweten dat hij heeft nagelaten het intreden van die oorzaak te voorkomen, de bestuurder dán tevens feiten en omstandigheden zal moeten stellen en zo nodig aannemelijk maken waaruit blijkt dat dit nalaten geen onbehoorlijke taakvervulling oplevert. Ik wijs daartoe, naast die (mede) daarop toegesneden vooropstelling van het hof in rov. 5.15, ten eerste op rov. 5.17. Naar blijkt uit de daarin vervatte zakelijke weergave door het hof van de weerspreking ter zake door de curator, [11] heeft de curator daarbij niet alleen aangevoerd dat de door [eisers] aangehaalde branchecijfers niets zeggen over [A], dat de gestelde sterke omzetdaling door [eisers] niet nader wordt onderbouwd en dat de stelling waar het betreft de door de bank bedongen extra zekerheid onvolledig is, maar ook:
dan onbehoorlijke taakvervulling door het bestuur van [A], zoals dan dus - zie ook rov. 5.15 van het hof - op haar weg ligt. [12]
Ik deed niets in die vennootschap maar ging er eens per veertien dagen wel heen. Ik kreeg niet de werkelijke informatie. Ik vertrouwde op [betrokkene 1]”.” [cursivering in origineel, A-G]
subonderdeel Ic. Zoals daaruit blijkt, is - wat het subonderdeel noemt - het “al dan niet nemen van maatregelen om de omzet op peil te brengen” wel degelijk en aanwijsbaar onderdeel van het processuele debat tussen [eisers] en de curator geweest, waarbij in hoger beroep te wijzen valt op zowel de memoriewisseling tussen partijen als de daarop volgende aktewisseling tussen partijen, zoals hiervoor uiteengezet. [22] Gelet op het verloop van het geding en dat processuele debat tussen [eisers] en de curator (in hoger beroep), kan dus niet worden gezegd dat het hof ter zake buiten de grenzen van de rechtsstrijd is getreden of een ontoelaatbare verrassingsbeslissing heeft gegeven, zoals bedoeld in het subonderdeel (kennelijk aansluiting zoekend bij art. 24 Rv Pro). Daarop loopt dit laatste subonderdeel stuk.
Het hof heeft te hoge eisen gesteld aan de maatregelen die [eisers] hadden behoren te nemen”
onderdeel IIricht zich tegen het oordeel van het hof in rov. 5.19, gelezen in samenhang met rov. 5.16-5.18, dat [eisers] al met al onvoldoende feiten en omstandigheden heeft gesteld om aan te nemen dat er zich een andere belangrijke oorzaak van het faillissement van [A] dan onbehoorlijke taakvervulling heeft voorgedaan. Het onderdeel komt erop neer: [23]
subonderdeel IIa);
subonderdeel IIb);
subonderdeel IIc).
nietsis gesteld over door het bestuur genomen maatregelen om kosten te reduceren, [38] om de voorraad wél up to date te houden, of om de liquiditeit te versterken (bijvoorbeeld door de vorderingen op de participanten te innen),
nochis aangegeven in hoeverre in het kader van de (dreigende) opzegging door de bank van de kredietrelatie met de bank is gesproken over herfinanciering, mede gelet op de in de jaarcijfers vermelde waarde van de in pand gegeven voorraad en de vorderingen op participanten (die toch gezamenlijk meer waarde vertegenwoordigden dan de hoogte van de vordering van de bank). Aldus dringt de conclusie zich op dat [eisers] tegenover dat nalaat-verwijt van de curator, al met al, zelfs bij benadering geen voldoende concreet feitelijk relaas heeft gesteld met oog ook voor de relevante aspecten die inherent zijn aan de door haar zelf gestelde belangrijk(st)e oorzaak van het faillissement van [A], en dus niet op ten minste die wijze toegelicht uiteengezet heeft hoe het bestuur van [A] daarmee is omgegaan (met inbegrip van daarbij gemaakte keuzes). [39] Het onderdeel verwijst ook niet naar vindplaatsen in de gedingstukken in feitelijke instanties voor (essentiële) stellingen van [eisers] die het hof hier had moeten betrekken (omdat die stellingen een of meer van deze aspecten wel bestrijken), anders dan naar nrs. 54 en 56 van de mvg, waarin door [eisers] is gerept van “de omstandigheid dat [eiser 2] in privé € 89.000,= en via [B] BV € 350.000,= in de vennootschap heeft gestort.” [40] Dat het hof dit laatste in rov. 5.19 niet heeft betrokken [41] is m.i. evenwel niet onbegrijpelijk, nu:
subonderdeel IIb. [45] Anders dan het subonderdeel tot uitgangspunt neemt, heeft het hof dus niet geoordeeld dat “het niet nemen van de door het Hof gesuggereerde maatregelen om de omzetdaling tegen te gaan van dien aard is dat geen redelijk handelend [46] bestuurder - in dezelfde omstandigheden - aldus zou hebben gehandeld.” Nu het subonderdeel rov. 5.19 van het hof verkeerd leest, mist het dus feitelijke grondslag. Daarmee valt deze motiveringsklacht in het water. Wat betreft de voorlaatste zin van het subonderdeel (“Deze stelling is door de Curator ook niet ingenomen”) wijs ik er - ten overvloede - nog op dat, zoals onderkend door het hof, het genoemde nalaat-verwijt van de curator (dat het bestuur van [A], onder wie dus [eiseres 1] (bestuurd door [eiser 2]), heeft nagelaten het intreden van die belangrijk(st)e oorzaak van het faillissement van [A] zoals gesteld door [eisers] te voorkomen) hier volstaat en daaraan niet afdoet dat de curator daarbij niet ook met zoveel woorden heeft verwezen naar ‘kennelijk onbehoorlijke taakvervulling’ (‘kennelijk onbehoorlijk bestuur’) en/of dat ‘geen redelijk denkend bestuurder - onder dezelfde omstandigheden - aldus zou hebben gehandeld’. Zie nr. 3.3 hiervoor.
subonderdeel IIc, dat in wezen voortbouwt op subonderdeel Ic en in het lot daarvan deelt. Zie wederom nr. 3.3 hiervoor. Dit behoeft geen verdere toelichting.