Conclusie
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
CONCLUSIE
eerste middelklaagt over het oordeel van het hof dat, in afwijking van wat de raadsvrouw in hoger beroep heeft aangevoerd, het aandeel van de betrokkene in de omzetverzwijging wordt geschat op een bedrag van € 150.000,-.
De rechtbank schat aan cliënt, gelet op zijn rol binnen de coffeeshop en het feit dat onder hem vrijwel geen vermogensbestanddelen zijn aangetroffen, een bedrag aan verzwegen winst toe van € 50.000,-.
10% van de helft” (en dan nog alleen over de bewezen verklaarde periode). Tot een nadere motivering van “
dit specifieke getal” was het hof naar mijn inzicht niet gehouden.
“dat veroordeelde uit de verzwegen omzet (veel) meer dan de (gestelde) bedragen heeft ontvangen die hij zelf vanuit de kas in eigen zak stopte”kan in dit geval echter niet van het hof worden geëist.
tweede middelbehelst de klacht dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM Pro in de cassatiefase is overschreden, omdat de stukken te laat door het hof zijn ingezonden.