Conclusie
1.Inleiding
Pactor Vastgoedheeft het Hof van Justitie het voormalige artikel 12a van de Wet op de omzetbelasting 1968 (Wet OB) onverenigbaar geacht met de Zesde richtlijn (richtlijn 1977/388/EEG). [1] Artikel 12a Wet OB verlegde bij een onterechte optie voor een belaste levering van een onroerende zaak de verschuldigdheid van herzieningsomzetbelasting van de verkoper naar de koper. Zo kon de eerder genoten aftrek die de verkoper vanwege de bij nader inzien vrijgestelde levering moest herzien, worden (na)geheven van de koper die zijn verklaring, dat hij de onroerende zaak gebruikt voor doeleinden waarvoor ten minste negentig percent recht op aftrek bestaat, niet gestand doet. Maar artikel 12a Wet OB kon, hoe redelijk ook, dus niet door de Unierechtelijke beugel. Bij wet van 18 december 2013 is artikel 12a Wet OB vervolgens komen te vervallen met terugwerkende kracht tot 10 oktober 2013.
Pactor Vastgoed. Zij meent dat de herzieningsomzetbelasting ook niet van de verkoper kan worden (na)geheven. Haars inziens ontbreekt daarvoor een wettelijke grondslag. De verkoper heeft namelijk, beoordeeld naar het moment van aangifte doen (
ex tunc), alle belasting betaald die zij op aangifte behoorde te voldoen. Belanghebbende neemt in dit kader aan dat de optie voor een belaste levering rechtsgeldig is tot het moment waarop de koper zijn verklaring over het gebruik van de onroerende zaak niet gestand doet. De Nederlandse wetgeving moet volgens haar voorzien in de mogelijkheid de herzieningsomzetbelasting op dat moment alsnog tijdig op aangifte te voldoen. Zij baseert zich (mede) op artikel 250 en Pro 252 van de Btw-richtlijn (richtlijn 2006/112/EG), de opvolger van de Zesde richtlijn.
de dato24 mei 2016 heeft de Inspecteur ten slotte op 25 juli 2016 een naheffingsaanslag van € 998.951 opgelegd. Bij de aanslag is geen belastingrente in rekening gebracht en evenmin een boete opgelegd.
Imofloresmiraover een andere kwestie. [3]
ex nuncwordt getoetst, oftewel met de kennis van nu, is naheffing nationaalrechtelijk mogelijk. Wat het Unierecht betreft staan ten slotte artikel 250 en Pro 252 Btw-richtlijn niet aan naheffing in de weg, alleen al omdat het daarin bepaalde niet strekt tot bescherming van belastingplichtigen. De conclusie in onderdeel 4 is daarom dat ik de Hoge Raad in overweging geef het beroep in cassatie van belanghebbende ongegrond te verklaren.
2.Opteren voor een belaste levering en herziening van de aftrek
3.Bespreking van beide middelen
Vooraf
In geval van leveringdoor de ondernemer van de in artikel 13, eerste lid, bedoelde goederen (onder meer onroerende zaken; CE)
binnen de termijn waarin de aftrek wordt herzien, is artikel 13, tweede (…) lid, van overeenkomstige toepassing (in elk van de negen boekjaren volgende op dat waarin de ondernemer het goed is gaan gebruiken wordt een tiende van de voorbelasting herzien op basis van de gegevens in het desbetreffende boekjaar geldende gegevens; CE). Daarbij wordt de ondernemer geacht tot het einde van die termijn het gebruik van het goed voor bedrijfsdoeleinden voort te zetten uitsluitend ten behoeve van:
De herziening geschiedt in één keer bij de aangifte over het belastingtijdvak waarin de levering plaatsvindt.”
ex tunc). Die veronderstelling acht ik echter discutabel.
ex nuncvervalt zodra duidelijk wordt dat niet aan het 90%-criterium wordt voldaan. Daarvan uitgaande heeft belanghebbende in zijn aangifte over het tijdvak van levering van de onroerende zaak inderdaad terecht geen rekening gehouden met de herziening. Doordat de optie na het verstrijken van dat tijdvak
ex nuncwegvalt, blijft dat ook zo. Naheffing in het tijdvak van levering is dan niet mogelijk.
Op het moment dat de koper de onroerende zaak gaat gebruiken zullen verkoper en koper de toepassing van de optieregeling dienen te beoordelen aan de hand van het (vermoedelijke) gebruik door de koper. Is dit een aftrekgerechtigd gebruik voor 90% of meer, dan kunnen partijen verzoeken om toepassing van de optieregeling; is de koper van plan de onroerende zaak voor meer dan 10% voor vrijgestelde prestaties te gebruiken, dan komt toepassing van de optieregeling niet aan de orde.” (onderstreping CE)
[E]. [14] Een woningcorporatie had in haar aangifte over het tweede kwartaal van 1995 een gevestigd vruchtgebruik op nieuwbouwwoningen verwerkt als een belaste levering, conform de wetgeving die op dat moment gold. Alle voorbelasting met betrekking tot die woningen had zij daarom in aftrek gebracht. Bij wet van 18 december 1995,
Stb.659 is de Wet OB vervolgens met terugwerkende kracht tot 31 maart 1995, 18:00 uur gewijzigd, en op grond van de gewijzigde wetgeving was de vestiging van het vruchtgebruik een vrijgestelde dienst. De Hoge Raad heeft de op de gewijzigde wetgeving gebaseerde naheffingsaanslag niet (ambtshalve) vernietigd op de grond dat geen sprake was van een situatie waarin belasting die op aangifte behoort te worden voldaan, geheel of gedeeltelijk niet is betaald. Van Zadelhoff betoogt in zijn noot in
BNB1999/439 dat dit wel had gemoeten:
[E]. Ook in dat arrest heeft de Hoge Raad een conform de nieuwe wetgeving berekende naheffingsaanslag in stand gelaten over een tijdvak dat door de terugwerkende kracht werd geraakt.
ex nuncovergegaan. In twee arresten van 12 oktober 2018 ging het over naheffingsaanslagen grondwaterbelasting die waren opgelegd vanwege het onttrekken van meer grondwater dan waarvoor ten behoeve van koude-warmteopslag een vergunning was verleend. [19] Voor vergunde hoeveelheden gold een vrijstelling. Nadat de inspecteur de bezwaren tegen de naheffingsaanslagen had afgewezen, heeft de provincie met terugwerkende kracht de vergunningen aangepast in de zin dat betrokkenen alsnog een grotere hoeveelheid mochten onttrekken. Naar het oordeel van de Hoge Raad hadden de naheffingsaanslagen in (hoger) beroep moeten worden beoordeeld met inachtneming van de latere aanpassing van de vergunning met terugwerkende kracht:
ex nuncte toetsen of de belasting is betaald die op aangifte behoort te zijn voldaan. Dat wil zeggen, mede op basis van de kennis op het moment waarop de naheffingsbevoegdheid feitelijk wordt getoetst. Als in een voorkomend geval de rechtszekerheid toch ernstig in het gedrang komt, bestaat altijd nog het noodventiel van algemene rechtsbeginselen, van Unierechtelijke of andere volkenrechtelijke oorsprong. In de voorliggende zaak is dat echter allemaal niet aan de orde.
ex nuncmoet worden getoetst, zie ik in een arrest van 23 april 2010. [20] In de betreffende zaak was aan de orde of naheffing van accijns mogelijk is als uit latere informatie blijkt dat eerder belasting verschuldigd was. De Hoge Raad heeft geoordeeld dat de bevoegdheid tot naheffing niet wordt beperkt doordat een belastingplichtige pas later bekend wordt met de omstandigheid dat een uitzondering zich niet heeft voorgedaan:
In de notariële akte of het verzoek wordt een door de afnemer ondertekende verklaring gevoegd waaruit blijkt dat hij de onroerende zaak gebruikt voor doeleinden waarvoor een volledig of nagenoeg volledig recht op aftrek van belasting op de voet van artikel 15 van Pro de wet bestaat.
in casumogelijk is, schendt daarom niet het nationale recht. Onverenigbaarheid met het Unierecht, in het bijzonder niet artikel 250 en Pro 252 Btw-richtlijn, zie ik evenmin. Ingevolge deze artikelen moeten lidstaten belastingplichtigen verplichten binnen een bepaalde termijn over zekere belastingtijdvakken btw-aangiftes in te dienen. Artikel 250 en Pro 252 Btw-richtlijn zijn dus kennelijk gericht op gegevensverschaffing aan de autoriteiten ter waarborging van de heffing. Ik zie geen enkele aanwijzing dat deze bepalingen strekken tot bescherming van belastingplichtigen. Gesteld al dat Nederland deze artikelen niet goed heeft geïmplementeerd voor gevallen als hier aan de orde, wat ik betwijfel, acht ik het daarom evident onjuist daaraan de consequentie te verbinden dat naheffing niet mogelijk is.
Imofloresmiraheeft geopperd dat de Nederlandse referentieperiode niet toelaatbaar is. [24] Een dergelijke opvatting getuigt echter van een onjuiste lezing van dat arrest. [25] De vraag in de zaak
Imofloresmirawas of een lidstaat herziening van de aftrek met betrekking tot een voor belaste verhuur bestemd onroerend goed mag eisen als dat goed op enig moment gedurende meer dan twee jaar leeg staat. Het antwoord van het Hof van Justitie is dat dit niet mag:
Imofloresmiragaat over een belastingplichtige die een onroerend goed op enig moment niet gebruikt, is er per definitie sprake van gebruik als een optie belaste levering in het geding is, namelijk de levering van de betrokken onroerende zaak. Uit het arrest in de zaak
Imofloresmiravolgt geenszins dat het niet zou zijn toegestaan voorwaarden te verbinden aan het opteren voor belastingheffing voor die levering die ook doorwerken in het aftrekrecht. En de omstandigheid dat een optie voor belastingheffing buiten de wil of macht van de verkoper geen gevolg sorteert, is ook al niet een reden om herziening van de aftrek bij de verkoper niet mogelijk te achten, zoals valt op te maken uit het arrest in de zaak
Gemeente Leusden/Holin Groep: [27]