“1. Een proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer] , opgemaakt door [verbalisant 1] , hoofdagent van politie, gesloten op 8 juni 2017, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven (blz. 7 e.v.):
Ik doe aangifte van diefstal van mijn pinpas en van mijn geld. Mijn naam is [slachtoffer] (het hof begrijpt dat ‘ [slachtoffer] ’ de meisjesnaam is van aangeefster) en ik ben 80 jaar oud. Ik woon aan de [a-straat 1] te [plaats 1] . Op 7 juni 2017 omstreeks 12.30 uur hoorde ik de bel van mijn voordeur. Ik zag dat er een manspersoon voor de deur stond en hoorde dat hij vroeg: “Bent u [slachtoffer] ’. Hij zei: “U krijgt 200 terug, kunt u misschien wisselen van een biljet van 500 euro”. Ik heb verteld dat ik dat niet kon. Ik hoorde dat de man toen zei: “Kan u dan met de pas betalen”. Vervolgens heb ik de man binnengelaten. Ik heb toen mijn portemonnee uit mijn tas gehaald. Ik heb in mijn portemonnee gekeken en deze weer in mijn tas gedaan. Op enig moment heb ik tijdens het gesprek mijn pincode aan de man verteld. De man kwam op mij zo overtuigend over. Kort hierna hoorde ik de man zeggen: “Nu is het geregeld”. Hierna is hij mijn woning uitgelopen.
Toen de politie kwam, bleek dat men mijn pinpas had weggenomen. Mijn pinpas zat in mijn portemonnee. Nadat er telefonisch contact was gelegd met de Rabobank bleek dat men 1.250 euro van mijn rekening had gepind op 7 juni 2017 omstreeks 13.23 uur. Mijn IBAN-nummer is: [001] . Aan niemand werd het recht of toestemming gegeven tot het plegen van het feit.
2. Een proces-verbaal van [verbalisant 2] . hoofdagent van politie, door hem opgemaakt en gesloten op 16 augustus 2017, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven (blz. 12 e.v.):
Op 15 augustus 2017 bekeek ik een opsporingsbericht op www.politie.nl. Ik zag dat er foto’s werden getoond van een verdachte van een babbeltruc en bankpasfraude. Ik herken de verdachte op de foto als: [verdachte] , geboren op [geboortedatum] 1980 te [geboorteplaats] . Ik herken [verdachte] aan de vorm van zijn hoofd, kaaklijn, haarlijnen, oor en postuur. Ik heb [verdachte] meerdere malen herkend op camerabeelden waarbij hij geldopnames doet met bankpassen die door middel van een babbeltruc zijn weggenomen. In juli 2017 heb ik [verdachte] nog gezien als bestuurder van een voertuig. Ik ben zeer goed bekend met [verdachte] .
3. Een proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt door [verbalisant 3] , hoofdagent van politie, gesloten op 17 februari 2018, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven (blz. 16 e.v.):
Op woensdag 7 juni 2017 werd om 13.23 uur 1.250 euro afgeschreven van IBAN-nummer [001] bij de Rabobank in [plaats 2] . De camerabeelden van deze bewuste automaat zijn van de Rabobank gevorderd. Op 17 februari 2017 (het hof leest: 17 juni 2017, zijnde hier sprake van een kennelijke vergissing van de verbalisant) heb ik de beelden uitgekeken. Op het tijdstip 13.23.46 uur is te zien dat een persoon op de geldautomaat afloopt. Ik kan deze persoon als volgt omschrijven: man, licht getinte huidskleur, slank postuur, tussen de 25 en 40 jaar oud, zeer kort opgeschoren donker haar met bovenop een klein eilandje kort, donker haar, donker gewatteerd jack met een niet definieerbaar rond logo op zijn linkerschouder, lichte spijkerbroek en donker/groene sneakers met witte zolen.
• Een proces-verbaal van getuigenverhoor van [verbalisant 2] , hoofdagent van politie, gedateerd 26 juni 2018, afgelegd ten overstaan van de rechter-commissaris, belast met de behandeling van strafzaken, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
Ik hoor u zeggen dat het gaat om een zaak in [plaats 1] van 7 juni 2017. Volgens mij heb ik in die zaak een herkenning op beelden gemaakt. Ik herinner mij de combinatie van de plaatsnaam en [verdachte] .
U vraagt mij hoe vaak ik [verdachte] heb herkend van foto’s waarop hij niet in zijn gezicht is te zien. Het is meestal full face geweest, meer recent, na deze datum, heb ik meer van foto’s als op pagina 12 (opmerking: van het proces-verbaal van politie dat in de onderhavige zaak is opgemaakt) gezien waarop ik hem herkende, maar meestal zag ik zijn gezicht. Ik had geen twijfel toen ik de foto’s op pagina 12 zag. Ik wist meteen dat het [verdachte] was. Ik heb ook de zijkant van zijn hoofd gezien.
Ik kan de broers uit elkaar houden. U, rechter-commissaris vraagt mij of de persoon op de foto ook wel [betrokkene 1] of [betrokkene 2] zou kunnen zijn. Nee. Zij zien er anders uit.”