Conclusie
1.Feiten en procesverloop
2.Bespreking van het cassatiemiddel
eerste onderdeelricht zich tegen rov. 5.6 en 5.7 van de bestreden beschikking. Het klaagt dat het hof heeft miskend dat uit art. 8 EVRM Pro en EHRM 10 september 2019 [4] voortvloeit dat een echte afweging moet worden gemaakt tussen de belangen van het kind en zijn biologische familie. [5] Bovendien moet de rechter de mogelijkheid van hereniging van het kind met zijn biologische familie serieus in overweging nemen. [6]
welde verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding kunnen dragen binnen een voor de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn.
Sommerfeld v. Germany[GC], no. 31871/96, § 64, ECHR 2003-VIII (extracts)), and the references therein).” [24]
tweede onderdeelricht zich tegen de afwijzing door het hof van het verzoek op grond van art. 810a lid 2 Rv. Het onderdeel stelt dat dit oordeel van het hof niet in overeenstemming is met Strand Lobben en in strijd is met art. 8 EVRM Pro. Het hof dient een echte afweging te maken tussen de belangen van het kind en die van zijn biologische familie. Dat een onderzoek voor verdere onduidelijkheid zal zorgen en dus belastend zal zijn voor [betrokkene 1] , had het hof nader dienen te onderbouwen gelet op HR 5 september 2014 [37] . De afwijzingsgrond het ‘belang van het kind’ is in dat opzicht in strijd met art. 8 EVRM Pro, omdat deze geen of onvoldoende rekening houdt met het belang van de ouder, welke belangen volgens het EHRM gecombineerd moeten worden. Voorts is geen recent onderzoek beschikbaar, slechts een onderzoek uit 2018 [38] . Evenmin is een rapport van een (onafhankelijke) gedragsdeskundige beschikbaar. Een nieuw onderzoek is van belang vanwege de recente positieve ontwikkelingen in het leven van de moeder, zoals de abstinentie van alcohol, verandering in woonsituatie en goedlopende omgangsregeling met [betrokkene 1] .