ECLI:NL:PHR:2020:920
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad vernietigt arrest niet-ontvankelijkheid verzet tegen strafbeschikking wegens onduidelijkheid ontvangst
De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het gerechtshof Den Haag, waarin de verdachte niet-ontvankelijk werd verklaard in zijn verzet tegen een strafbeschikking wegens het verlaten van de plaats van een ongeval. De strafbeschikking was per gewone post verzonden naar het BRP-adres van de verdachte en dateerde van 13 februari 2018. De verdachte stelde verzet in op 30 maart 2018, met de mededeling dat bijzondere omstandigheden hem verhinderden binnen de termijn van twee dagen bezwaar te maken.
Tijdens de zittingen verklaarde de verdachte dat hij niet op het BRP-adres woonde maar bij zijn vriendin verbleef en dat de post bij zijn ouders werd bezorgd. Zijn vader had hem telefonisch geïnformeerd over de strafbeschikking, waarna hij binnen enkele dagen verzet instelde. Het hof oordeelde dat het onaannemelijk was dat de post zes weken onderweg was en concludeerde dat de verdachte de strafbeschikking eerder kende dan hij verklaarde, waardoor het verzet te laat was ingediend.
De advocaat-generaal bij de Hoge Raad stelde dat dit kennelijk oordeel niet zonder meer begrijpelijk was, omdat niet vaststond wanneer de verdachte daadwerkelijk kennis had genomen van de strafbeschikking. De Hoge Raad vernietigt daarom het arrest en wijst de zaak terug naar het gerechtshof Den Haag voor hernieuwde behandeling. De zaak benadrukt de noodzaak van duidelijke vaststelling van het moment van kennisneming bij verzending van strafbeschikkingen per gewone post.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het arrest en wijst de zaak terug naar het gerechtshof voor hernieuwde behandeling vanwege onduidelijkheid over het moment van kennisneming van de strafbeschikking.