Conclusie
1.Feiten en procesverloop
2.Bespreking van de cassatiemiddelen
Onderdeel Ivan het middel is gericht tegen rov. 3.6 – 3.9. Het valt uiteen in zes subonderdelen die luiden als volgt:
waarom,op
welk momenten voor
welke duureen bepaalde vorm van dwang een geëigende interventie is. Uit de gedingstukken naar voren komende feiten kunnen de gegeven summiere motivering in elk geval niet rechtvaardigen.
ex nunctoetsing uitgevoerd, te weten dat het gedrag van betrokkene als gevolg van zijn psychische stoornis leidt tot ernstig nadeel dat door het verlenen van verplichte zorg in de vorm van opname in een accommodatie, insluiten, beperken van de bewegingsvrijheid en onderzoek aan kleding en lichaam kan worden afgewend. In elk geval is het oordeel van de rechtbank, zonder nadere motivering, onbegrijpelijk, dat dit het geval is ten aanzien van die vormen van verplichte zorg, en dat aldus is voldaan aan het bepaalde in de art. 3:3 en Pro 3:4 Wvggz.
onder a, toegelicht in het cassatierekest onder 1.4 – 1.6, faalt omdat zij berust op een onjuiste rechtsopvatting. Blijkens de zo-even aangehaalde uitspraak van de Hoge Raad van 25 september 2020, bestaat wel degelijk een wettelijke grondslag voor de hier verleende zorgmachtiging.
onder c, toegelicht in het cassatierekest onder 1.11 – 1.15, houdt in dat de rechtbank een onjuiste maatstaf heeft gehanteerd bij het beoordelen of aan de criteria voor verplichte zorg (art. 3:3 Wvggz Pro) in verband met de doelen van verplichte zorg (art. 3:4 Wvggz Pro) is voldaan, omdat de rechtbank niet heeft getoetst aan de actuele situatie ten tijde van haar beslissing (toetsing
ex nunc). Het op voorhand machtigen tot een vorm van verplichte zorg zonder dat de actuele toestand ten tijde van de beslissing dat vergt, verdraagt zich volgens de klacht niet met het in deze artikelen neergelegde uitgangspunt. De toelichting op deze klacht verwijst naar rov. 3.3.2 van HR 5 juni 2020 (ECLI:NL:HR:2020:1017), waar de Hoge Raad overwoog: “(…) dient steeds te worden uitgegaan van de actuele situatie ten tijde van de te nemen beslissing (beoordeling ‘
ex nunc’)”. Daarnaast wordt gesteld dat een toetsing ‘
ex nunc’voortvloeit uit EHRM 5 oktober 2000 (Varbanov/Bulgarije, appl.no. 31365/96), par. 46. De daadwerkelijke insluiting van een psychiatrische patiënt moet volgens de klacht zijn ingegeven door actuele omstandigheden die
op dat momenttot vrijheidsbeneming nopen.
ex nunc) wordt verlangd, vindt een verklaring in de afwijzing van het alternatief van een beoordeling
ex tunc. Met andere woorden: de rechter mag niet volstaan met de constatering dat in het verleden door een medisch deskundige een psychische stoornis is vastgesteld die de betrokkene gevaar deed veroorzaken. De toestand kan inmiddels gewijzigd zijn: de rechter moet telkens naar de omstandigheden ten tijde van zijn beslissing beoordelen of (voortzetting van de) vrijheidsbeneming in overeenstemming met de wet en met art. 5, lid 1 onder e, EVRM is. De rechtbank heeft in dit concrete geval vastgesteld dat, naar de toestand van betrokkene ten tijde van de beslissing van de rechtbank, werd voldaan aan de criteria van art. 3:3 Wvggz Pro en dat de verleende zorgmachtiging noodzakelijk is. Indien uit feiten of omstandigheden ten tijde van de beslissing van de machtigingsrechter blijkt dat het gedrag van betrokkene als gevolg van zijn psychische stoornis het aanzienlijk risico meebrengt dat in de looptijd van de machtiging een of meer van de in art. 1:1 lid 2 Wvggz Pro beschreven situaties zich zullen voordoen, kan een zorgmachtiging worden verleend. De rechtbank, als machtigingsrechter, beslist dan naar de omstandigheden ten tijde van haar beslissing
(ex nunc) of de machtiging voor een bepaald tijdvak kan worden verleend. Of het moment bereikt is waarop inderdaad sprake is van een “dusdanig decompenseren dat een klinische stabilisatie noodzakelijk is” (vgl. rov. 3.6 Rb), behoort door de zorgverantwoordelijke te worden beslist naar de feiten en omstandigheden van het moment waarop de zorgverantwoordelijke – uit krachte van de verleende zorgmachtiging − beslist tot het daadwerkelijk opnemen in een accommodatie.
onder dgaat ervan uit dat de rechtmatigheidseis in art. 5 lid 1 EVRM Pro [8] “een zekere mate van voorzienbaarheid vergt”. Ik teken hierbij aan dat het begrip ‘voorzienbaar’ op verschillende wijzen kan worden gebruikt. Dit verdragsartikel staat in de daar genoemde gevallen vrijheidsbeneming toe indien deze geschiedt overeenkomstig de bepalingen van het toepasselijke nationale recht en volgens een wettelijk voorgeschreven procedure. Daarnaast heeft art. 5 EVRM Pro autonoom betekenis als een rechtstreeks verbindende verdragsbepaling die strekt tot bescherming tegen willekeurige vrijheidsbeneming. In dit verband – het voorkómen van willekeur − heeft het EHRM het belang van rechtszekerheid benadrukt en overwogen dat de nationale wetgeving ten aanzien van vrijheidsbeneming moet voldoen aan maatstaven van voorzienbaarheid (‘
foreseeability’)en toegankelijkheid (‘
accessibility’). [9] Het gaat hierbij om kwaliteitseisen die het EHRM aan de nationale wetgeving stelt, met inbegrip van de eis van voorzienbaarheid van de wettelijke norm, zodat een ieder (ook de betrokken overheidsfunctionaris) zich naar die rechtsnorm kan richten en de persoon aan wie de vrijheid wordt ontnomen aan die norm rechtszekerheid kan ontlenen.
aanzienlijkrisico bestaat dat een bepaalde situatie in de nabije toekomst kan intreden. [11]
onder bbestrijdt dat ‘geclausuleerde interventies’ wettelijk mogelijk zijn, faalt de klacht omdat de Hoge Raad in zijn beschikking van 25 september 2020 heeft beslist dat de Wvggz niet eraan in de weg staat dat in een zorgmachtiging een voorwaarde aan een vorm van verplichte zorg wordt verbonden, om zeker te stellen dat de minst beperkende en voor de betrokkene minst bezwarende vorm van zorg wordt geboden. Uit de redengeving in rov. 3.6 volgt onmiskenbaar dat de rechtbank dit voor ogen heeft gehad. De subsidiaire klacht over ontoereikende motivering stuit in haar algemeenheid hierop af.
onder e, toegelicht in het cassatierekest onder 1.20 en 1.21, neemt tot uitgangspunt dat uit de medische verklaring van de onafhankelijke psychiater niet blijkt dat hij andere vormen van verplichte zorg dan het toedienen van medicatie nodig achtte om het te duchten ernstig nadeel weg te nemen. Dat de in de machtiging opgenomen verplichte zorg in de vorm van ‘opnemen in een accommodatie’ is bedoeld als ‘stok achter de deur’ (lees: als prikkel tot het regelmatig innemen van de door de behandelend arts voorgeschreven medicatie) doet volgens de toelichting op de klacht niet af aan het vereiste dat aan een rechterlijke machtiging tot vrijheidsbeneming een objectief psychiatrisch onderzoek ten grondslag moet liggen.
naar zijn oordeelis voldaan aan de criteria voor verplichte zorg. Het strookt met de algemene regel, dat de deskundige de rechter voorlichting geeft en adviseert, maar niet zelf beslist. Ook al adviseert de deskundige de rechter om machtiging te verlenen voor een bepaalde vorm van verplichte zorg, de rechter kan hierover anders oordelen en de verzochte machtiging weigeren. Dit uitgangspunt neemt niet weg dat, wanneer de rechter machtiging verleent tot vrijheidsbeneming als bedoeld in art. 5, lid 1 onder e, EVRM − hier in de vorm van ‘opnemen in een accommodatie’ of ‘insluiten’ − een objectief onderzoek door een medisch specialist wordt vereist. Wat betreft de keuze voor het opnemen in een accommodatie en daarmee samenhangende vormen van verplichte zorg, baseert de rechtbank haar oordeel op het zorgplan, de informatie verkregen van de behandelend psychiater en op de bevindingen van de geneesheer-directeur als bedoeld in art. 5:15 Wvggz Pro. [16] Het valt mij op, dat de rechtbank geen gebruik heeft gemaakt van haar bevoegdheid om nadere inlichtingen te vragen aan de onafhankelijke psychiater die de medische verklaring heeft opgesteld (vgl. art. 6:1 lid 6 Wvggz Pro).
true mental disorder’en bovendien het oorzakelijk verband tussen deze psychische stoornis en het gedrag van betrokkene dat ernstig nadeel veroorzaakt heeft vastgesteld, verzet deze verdragsbepaling zich niet tegen vrijheidsbeneming als vorm van verplichte zorg in een zorgmachtiging, mits ook overigens is voldaan aan de wettelijke criteria volgens het nationale recht. Een rechterlijke toetsing of in het concrete geval terecht door de zorgverantwoordelijke is besloten om gebruik te maken van de machtiging tot opneming in een accommodatie kan onder de huidige wet achteraf plaatsvinden.
onder f, toegelicht in het cassatierekest onder 1.22 – 1.24, bouwt voort op de klacht onder e en faalt om dezelfde reden. In de toelichting op deze klacht onder 1.24 wordt gesteld dat de noodzaak van een machtiging tot opneming in een accommodatie, als
ultimum remedium(rov. 3.6 – 3.7), geen steun vindt in de gedingstukken. Deze motiveringsklacht treft geen doel, omdat de rechtbank in rov. 3.4 uiteen heeft gezet dat betrokkene zijn diagnose ontkent en dat de behandelend psychiater voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat betrokkene zonder zorgmachtiging het gebruik van medicatie zal staken. De te verwachten gevolgen van het staken van het innemen van de medicatie zijn in de door de rechtbank aangehaalde stukken voldoende duidelijk omschreven om te kunnen begrijpen wat de rechtbank hiermee heeft bedoeld; zie ook de verklaring van de psychiater op blz. 1 van het proces-verbaal. Dat de rechtbank in haar beschikking niet uitdrukkelijk is ingegaan op de mogelijkheid van het (ambulant) onder dwang toedienen van medicatie als alternatief voor opneming in een accommodatie, valt te verklaren vanuit de stukken waarnaar de rechtbank verwijst; zie onder meer het zorgplan onder 4.a en 6.b (gebrek aan medewerking van betrokkene aan medische controles, al dan niet vanuit ontbrekend ziektebesef). Tijdens de mondelinge behandeling is dit alternatief ook niet aangedragen als een uitdrukkelijk verweer, waarop de rechtbank had moeten responderen.
(legal certainty)en de mogelijkheid om na vrijheidsbeneming de rechtmatigheid daarvan door een rechterlijke instantie te laten toetsen. De gronden waarop en de omstandigheden waaronder daadwerkelijk tot vrijheidsbeneming kan worden overgegaan, heeft de rechtbank onvoldoende geconcretiseerd om voorzienbaar
(foreseeable) te zijn; aan de eisen van rechtszekerheid
(legal certainty)is niet voldaan.”
(judicial decision)te verkrijgen over de rechtmatigheid van tenuitvoerlegging van de zorgmachtiging, dus een oordeel of is voldaan aan de gronden resp. voorwaarden voor een gedwongen opneming zoals die in de paraplu-zorgmachtiging zijn geformuleerd. Evenmin kan in dat kader, zoals dat onder de Wet Bopz het geval was, een rechterlijke oordeel ex nunc worden verkregen over de vraag of de vrijheidsbeneming nog moet voortduren.