Conclusie
[eisers]) en verweerders in cassatie sub 1 en 2 (hierna:
[verweerders]) zijn buren van elkaar. [eisers] zijn sinds 2010 eigenaar van een woning aan de [a-straat 1] . [verweerders] zijn sinds 2007 eigenaar van een pand (bruidswinkel met bovenwoning) aan de [a-straat 1a] . De eigendom van [a-straat 1a] was van 1984 tot 2004 in handen van [betrokkene 1] (en/of diens zoon). [eisers] huurden [a-straat 1a] van 1992 tot 2004 van [betrokkene 1] en gebruikten het pand als bloemisterij.
1.Feiten en procesverloop
[a-straat 1a].
[a-straat 1].
[betrokkene 1]), die het pand (ook) heeft laten bewonen door zijn werknemer(s). Vanaf 1991 hebben [eisers] het pand ter bewoning gehuurd van Wooncompagnie, tot het moment dat zij in 2010 tot aankoop ervan overgingen.
de kadastrale erfgrens) is niet in geschil tussen partijen.
in conventiegevorderd, voor zover in cassatie van belang, dat bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:
primairomdat zij door verjaring daarvan eigenaar zijn geworden,
subsidiairomdat het [eisers] niet vrijstaat zich als eigenaar daartegen te verzetten, omdat de ingestelde vorderingen misbruik van recht opleveren althans in strijd zijn met de redelijkheid en billijkheid. [5]
in reconventie(onder meer) een verklaring voor recht gevorderd dat zij eigenaar zijn van het litigieuze stukje grond.
misbruik van recht, redelijkheid en billijkheid
principaal appel– zakelijk weergegeven – dat het hof het vonnis van 8 juli 2015 vernietigt en, opnieuw rechtdoende, de in de inleidende dagvaarding van [eisers] ingestelde vordering afwijst en de eis van [verweerders] toewijst, met veroordeling van [eisers] in de kosten van beide instanties. [9]
grief VIIheeft de rechtbank in rov. 4.23 ten onrechte vastgesteld dat [eisers] voldoende belang heeft bij de gevorderde verwijdering van de overbouw (waaronder het riool).
incidenteel appelingesteld, met conclusie - na vermeerdering van eis en voor zover in cassatie van belang - het vonnis van de rechtbank Noord-Holland van 8 juli 2015 te vernietigen en opnieuw rechtdoende (onder meer):
grief VI in principaal appel- die inhoudt dat [eisers] (ook) met deze vordering misbruik van bevoegdheid maken in de zin van art. 3:13 lid 2 BW Pro omdat zij in aanmerking nemende de onevenredigheid tussen hun belang bij de uitoefening en het belang van [verweerders] dat daardoor wordt geschaad, naar redelijkheid niet tot die uitoefening hadden kunnen komen - in zoverre gegrond wordt geacht. Hiertoe is het volgende redengevend. [eiser 1] heeft tijdens de comparitie van partijen in eerste aanleg (zelf) verklaard (en overigens door [verweerders] niet betwist), samengevat, dat de toenmalige eigenaar van het huidige pand van [verweerders] , [betrokkene 1] , in 1992, toen [eisers] dat pand gingen huren, daarin voor hen een w.c. heeft laten aanleggen. Bij gebreke van indicaties voor het tegendeel moet worden aangenomen dat de litigieuze leidingen met het oog op de aanleg van die w.c. in de grond van het huidige perceel van [eisers] zijn aangebracht. Daargelaten of [eisers] destijds wisten dat de leidingen in de grond van het buurperceel (thans het hunne) werden gelegd, zij werden door die aanleg gebaat, terwijl anderzijds [verweerders] aan die aanleg part noch deel hadden. Hoewel op zichzelf denkbaar moet worden geacht dat het noodzakelijk is dat de litigieuze leidingen en erfgrensput met het oog op de aanleg van de door [eisers] gewenste mantelzorgkamer worden verwijderd, kan het hof vanwege de zojuist vermelde omstandigheden niet inzien waarom dit
op kosten van [verweerders]zou moeten gebeuren, ook als die kosten (slechts) liggen in de orde van grootte als door [eisers] gesteld. Om die reden maken [eisers] misbruik van bevoegdheid in voormelde zin door niet alleen te vorderen dat een en ander wordt verwijderd maar ook, en daaraan gekoppeld, dat dit op kosten van [verweerders] moet geschieden.
2.Bespreking van het cassatiemiddel
de eerste klachtis het oordeel van het hof dat [eisers] misbruik van bevoegdheid zouden maken in de zin van artikel 3:13 lid 2 BW Pro rechtens onjuist, hetzij onbegrijpelijk, althans onvoldoende gemotiveerd (
par. 4, procesinleiding).
par. 1 en 2, procesinleiding).
Dit zo zijnde” is niet in te zien waarom [eisers] met hun vordering tot verwijdering en het verwijderd houden van de op hun erf aanwezige rioleringsbuizen en erfgrenspunt misbruik van bevoegdheid zouden maken in de zin van artikel 3:13 lid 2 BW Pro. Dat bij gebreke van indicaties voor het tegendeel moet worden aangenomen dat de litigieuze leidingen met het oog op de aanleg van de wc in het pand [a-straat 1a] in de grond van het huidige perceel van [eisers] zijn aangebracht, doet daaraan niet af c.q. is onvoldoende redengevend voor de door het hof thans genomen beslissing (
par. 3, procesinleiding).
verwijderingvan de leidingen kan vorderen
op kosten van[verweerders]
niethebben, of anders gezegd, aan de
afwezigheidvan een geschaad belang.
in de tweede plaatsdat de beslissing in rov. 2.13 dat, naar ik aanneem, [eisers] met hun vordering misbruik van bevoegdheid maken (tevens) onbegrijpelijk is “in het licht van”:
par. 5, procesinleiding).
“door het hof
toewijsbaargeachte vorderingen
”,terwijl de vordering tot - kort gezegd - verwijdering van de (riolerings)buizen en de (erfgrens)put blijkens rov. 2.13 een door het hof
niettoewijsbaar geachte vordering is.
op kosten van [verweerders]gebeurt.
par. 6, procesinleiding).