Conclusie
1.Inleiding
2.De feiten en het geding in feitelijke instanties
De feiten
3.Het geding in cassatie
BNB1970/177, [34] dat ziet op de waardering van obligaties die bestemd zijn te worden aangehouden tot de aflossingsdatum. Dit arrest heeft beslist:
BNB1982/286. [50] Dit arrest gaat over de afwaardering van een schuldvordering die op 31 december 1977 uitstond op een afnemer van de ondernemer. De inspecteur weigerde een (verdere) afwaardering en verwees hiervoor naar de door de afnemer in 1978 en 1979 behaalde bedrijfsresultaten en het bij hem in 1980 aanwezige bedrijfsvermogen. Het arrest beslist:
BNB2008/168 [51] stelde de ondernemer een dergelijke voorziening te mogen handhaven op het bedrag waarvoor de naheffingsaanslag was opgelegd, ook al bleek na het opmaken van de balans dat de materiële belastingschuld lager was. Het arrest verwerpt die stelling:
BNB2014/255 gewezen. [52] Dit arrest herhaalt als regel dat de belastingplichtige zich dient te richten naar de op de balansdatum bestaande feiten die hem “ten tijde van het opmaken van de balans ten dienste staan, ook al zijn zij hem eerst na balansdatum bekend geworden”. Daarom houd ik het erop dat HR
BNB2008/168 deze regel slechts nuanceert voor (de hoogte van) een materiële belastingschuld. [53]